Posted on Leave a comment

Bevrijdingsdag

Tot vandaag ben ik – op een ritje met nicht José naar de berging na – in zes weken niet buiten geweest, maar gisterenavond belde kunstenaar Bert Schrama op. Hij had het plan om op een lege Dam te gaan zitten mediteren over vrijheid.

Mijn en ook zijn gedachte was dat het niet echt eenzaam mediteren zou worden op een lege Dam. De landelijke pers had een seintje gekregen en die jongens en meisjes komen wel opdagen met hun anderhalve meter lange microfoonhengels met een plopkap erop die waarschijnlijk nooit schoongemaakt wordt, laat staan gedesinfecteerd.

Dat deel van de happening hoefde ik dus niet zo nodig bij te wonen. Hij vroeg of ik aankondigingsvideo voor sociale media wilde maken en mijn handen jeukten. Het is inmiddels zo erg met mij gesteld dat ik op cameraknopjes zit te drukken zonder iets te filmen of te fotograferen, alleen maar om het geluid te horen, want daar word ik dan rustig van.

De Nikon F2 ligt aan het hoofeinde van mijn bed. Dat is de camera die alleen voor privégebruik is. De F2 wordt nog geladen met film, dus ik kan niet zonder consequenties op het knopje drukken, maar wel door de zoeker turen. Het is pathetisch, dat geef ik meteen toe, maar het geeft tegelijkertijd aan hoezeer ik werken met beeld mis.

Rob Schrama woont op tweehonderd meter afstand. Ik hoefde maar vier trappen op en onderweg zou ik niemand tegenkomen. Zijn appartement was ruim genoeg voor de vereiste anderhalve meter.

Eerst kreeg ik thuis nog een fit, omdat ik mijn video rig niet goeg in elkaar kreeg, omdat die constructie nieuw is, vlak voor de Coronacrisis aangeschaft, en ik had gesodemieter met de opsteekmicrofoontjes. Op de een of andere manier wilden die niet met de camera communiceren.

Ik kan heel naar vloeken en suïcidale teksten uitslaan als ik dat soort handelingen verricht. Eveline kiest er dan voor om een eindje verderop te gaan zitten. Bij voorkeur bij de openslaande deuren, alsof ze, mocht het te erg worden, ook de bereidheid zou hebben om uit het raam te springen.

Uiteindelijk liep ik toch zwetend over straat met een loodzware Atomos camera plus de Shogun Inferno field recorder richting Schrama. Het al even zware Manofrottostatief maakte van die paar honderd meter en de vier trappen toch nog een atletische uitdaging.

Maar goed, ik heb weer wat gefilmd en ik voel me alweer een stuk beter.

Posted on Leave a comment

Jaren negentig – Bulletin Boards


 
Vanmiddag zei ik tegen niemand in het bijzonder: ‘Zo terugkijkend op alles, is het internet toch een slecht idee gebleken.’ Een moment lang vond ik dat ook oprecht. Ik moest mezelf eerst even herinneren aan de tijd dat ik, wind en regen trotserend, postzegels ging halen bij een postkantoor, waar lange rijen mensen met muf ruikende regenjassen stonden te wachten, om vervolgens een simpel bankafschrift de deur uit te doen dat vijf werkdagen nodig had om verwerkt te worden.

De impuls om weer eens als vanouds een boek uit de kast te trekken wist ik te onderdukken, wat ik nu eigenlijk betreur, want in de tijd die ik besteed heb aan het kijken naar hondenfilmpjes op social media, had ik ook Heart of darkness van Joseph Conrad voor de zesde keer kunnen lezen en dan was ik meteen ook een stuk vrolijker geworden. Uitzichtloze narigheid in fictie beurt mij nu eenmaal op.

Een labrador die op zijn rug kwispelstaartend over het hoogpolig schuift, dat ziet er wel amusant uit, maar ik kan dan alleen nog denken dat die hond vast vlooien heeft, eczeem of wormen. Ook narigheid, maar dan van het soort dat me niet opbeurt. Ik vroeg me af wanneer ik het internet voor het laatst echt leuk had gevonden en er kwamen allerlei beelden omhoog uit de jaren negentig, toen ik nog bezoeken aan Bulletin Board Systems afwisselde met rondjes door de Digitale Stad Amsterdam.

Die Bulletin Board Systems waren best leuk. Je logde ergens via een modem direct in op een computer bij iemand thuis en vanaf dat moment kon je data gaan downloaden. Het maakte niet uit wat. Software, porno, foto’s, filmpjes of audiobestanden. Die computers stonden vol met de meest uiteenlopende digitale rariteiten. Je wist vaak niet eens wat je aan het downloaden was, want de bestanden hadden alleen voor echte insiders enigszins begrijpelijke namen. Bestandsnamen langer dan acht tekens had je immers nog niet.

Ik was altijd al slecht in bestandsnamen zonder klinkers, dus op een dag haalde ik een immens bestand binnen met een hele intrigerende naam dat tijdens het downloaden meer dan acht uur mijn telefoonlijn bezet hield. Ik had gehoopt op een tien minuten durend filmpje op postzegelformaat, maar het bleek uiteindelijk een patientenbestand te zijn van een ziekenhuis ergens in de Verenigde Staten. Geheel oninteressant dus.

Een dure teleurstelling, maar geheel nutteloos was de vangst ook niet, want bij sommige Bulletin Board Systems kon je alleen downloaden nadat je eerst een vergelijkbare hoeveelheid data ging uploaden. Dus dat bestand had vanwege de grootte toch een niet mis te verstane ruilwaarde. Met behulp van dat bestand heb ik heel wat moois naar me toegehengeld. Het idee dat je gevoelige informatie als een virus om je heen verspreidde, schuurde wel een beetje, maar je stelde jezelf dan gerust met de gedachte dat niemand zin zou hebben om al die gegevens door te spitten.

Omdat je in die tijd vaak zelf niet alles begreep van wat je zoal uitspookte op zo’n Bulletin Board System, maakte je ook steevast van de contactmogelijkheid met de beheerder gebruik om hem eens goed de les te lezen over al dan niet vermeende technische mankementen aan zijn BBS. Reageerde die beheerder vervolgens niet op je verbale explosies, dan dacht je: ‘Zo, daar heeft-ie mooi niet van terug.’ Dat die man dan lag te slapen of zich eenvoudigweg niet wilde verlagen om op zoveel onbenulligheid en onkunde te reageren, dat kwam niet bij je op.

Zelfkritiek was schaars onder veel pioniers. Dom? Nee, dom waren natuurlijk de mensen die helemaal niet wisten hoe ze via hun computer – toen vaak nog tekstverwerker genoemd – contact moesten leggen met de buitenwereld.

Het kon zo maar gebeuren dat ik in de Digitale Stad dure telefoontijd zat weg te kletsen via een tekstbrowser, zoals het toen populaire programma Telix, in een moeizaam gesprek met ‘een vogeltje in het Vondelpark’ zonder in de gaten te hebben dat ik met een mod te maken had. Een mod was wat ze nu een chatbot zouden noemen. Ik had natuurlijk wel gemerkt dat het vogeltje de meest idiote antwoorden gaf en vaak in herhaling viel, maar dat drong niet al te snel tot me door. Het overheersende gevoel was dat jij, als een van de driehonderd mensen in Amsterdam in het bezit van een 1200 baud modem met voldoende middelen voor een fikse telefoonrekening, door niets of niemand in de maling was te nemen.

Ik vermoed dat die instelling nu alleen nog weggelegd is voor mensen met een telefoon, die slimmer is dan ze zelf zijn.
 

Posted on Leave a comment

Wie zich verkleden kan

Abraham

De leeftijd van vijftig jaar wordt of werd in Nederland vaak gekoppeld aan het gezegde ‘Abraham zien’. Het is mij nooit duidelijk geworden waar die uitdrukking voor stond, wel had men mij verteld dat de uitdrukking een metafoor was voor het verkrijgen van diepe wijsheid. Hoewel ik door het lezen van Nederlandstalige literatuur langzaamaan metafoordoof ben geworden, had ik toch stiekem een zekere omslag verwacht in mijn vijftigste levensjaar.

Er gebeurde niets. Ik bleef dezelfde man met dezelfde levenswijze. Ook na mijn zestigste verjaardag was ik enigszins teleurgesteld dat alles bij het oude bleef.

Een week geleden echter, ruim na mijn 64ste verjaardag, stortte de wijsheid als ijskoud water over mij heen.

Zittend op de rand van mijn bed, me realiserend dat ik echt mijn geslachtsdelen niet meer kan zien door mijn uitdijende middenrif, mompelde ik voor mij uit: ‘Wat ben ik toch altijd een ongelooflijke klootzak geweest.’ Dat ik in de voltooid verleden tijd sprak was zelfbescherming, want net zoals na mijn 50ste en mijn 60ste verjaardag was er op deze doodnormale doordeweekse dag schijnbaar niets aan mij veranderd.

Zoals het een oprechte klootzak betaamt hield ik mij de rest van de week niet zozeer bezig met de vraag waarom en wanneer ik zo’n klootzak was geworden. Nee, in plaats daarvan speelde zich een film af voor mijn geestesoog waarin mensen figureerden die met enige moeite gezien konden worden als veel ergere klootzakken dan ik, waar maar eens te meer bewezen werd dat het menselijke brein zich vooral onderscheidt van het dierlijke door het onbeperkte vermogen feiten niet onder ogen te zien.

Denk aan de impala in een natuurfilm die levend verslonden wordt door een leeuw. Op wat gerol in de oogkassen na is er bij de impala schijnbaar weinig aan de hand. Het arme dier legt zich neer bij de feiten. Hard rennen heeft niet mogen baten. Wij mensen zouden in zo’n situatie gaan marchanderen of bluffen dat we de zoon of de dochter waren van een grote vleesfabrikant en dat we met gemak de sleutel van het abattoir konden regelen.

Mensen zijn in staat een onoverkomelijke situatie dusdanig te ontkennen dat wij tot op de laatste snik hoop cultiveren die op niets is gebaseerd. Niemand zal een stervend kind recht in het gezicht uitlachen als hij of zij met laatste adem en gebroken stem zegt: ‘Ben ik dan straks bij opa en oma?’

Daar staan we dan met strakke gezichten bij en zelfs de grootste klootzak weet de kreet: ‘Natuurlijk niet!’ voor zich te houden. Als wij mensen iets heilig vinden dan is het wel de beschaafde ontkenning.

Ontkenning en spraak zitten in onze genen. Een baby die zojuist een luier heeft volgepoept zet het op een hemeltergend huilen en schreeuwen, net zo lang totdat iemand in de omgeving de luier verschoont. Op driejarige leeftijd kijkt datzelfde kind over de rand van een pan heen en zegt hardop, zonder iets geproefd te hebben, dat het eten ‘vies’ is. Dat hij of zij een uurtje eerder de koektrommel leeg heeft gegeten is, speelt dan geen rol meer. We kijken dan naar een mooie samenwerking tussen spraak en ontkenning.

Tijdens onze puberteit vervolmaken we die samenwerking van spraak en ontkenning en dan wordt dat wat ons van dieren onderscheidt nog veel duidelijker. Wetenschappers duiden die periode als een hormonale onbalans. Ik durf te stellen dat we juist in die periode op methodische wijze de fundamenten leggen voor wie we later worden. Grote klootzakken of minder grote klootzakken. Bij de een zal het nare, menselijke gedrag zich vooral uiten in woorden, bij de ander in daden. Zij die het woord gebruiken komen er mee weg. Zij die zich vooral uiten in daden worden criminelen genoemd en zij ontlopen hun straf minder vaak.

Ontkenning blijft echter de verbindende factor tussen beide partijen. Wat voor de een fake news is, dat is voor de ander immers een harde waarheid.

Dit alles overpeinzend, zonder gehinderd te worden door academische kennis, begon ik mij af te vragen wat de oorzaak was geweest dat ik ogenschijnlijk zonder aanleiding wakker was geworden met het haast allesomvattende gevoel een klootzak te zijn. Dat had weinig met Abraham of mijn leeftijd te maken. De ‘trigger’ van dit alles was gekomen in de vorm van een envelop met daarin twee exemplaren van Nette mensen in een nieuwe tijd, een roman die ik in 1992 heb geschreven. In een van de twee exemplaren had ik een opdracht geschreven op 9 november 1993. Die datum herkende ik meteen, want dat was de dag dat mijn roman bij de uitgeverij werd gepresenteerd.

Op het titelblad had ik een citaat uit Keefman van Jan Arends geschreven: ‘Wie zich verkleden kan, die hoort erbij.’ Deze opdracht was gericht aan ‘Mevrouw Botman’. Een schijnbaar onschuldige opdracht van een auteur die zijn Nederlandse literatuur uit het hoofd wist te citeren, ware het niet dat mevrouw Botman nogal opviel in het gezelschap van mensen die in hun doordeweekse kloffie naar de presentatie waren gekomen. Mevrouw Botman daarentegen had zich gekleed alsof zij op audiëntie bij Paus of Koningin ging.

Waarschijnlijk was het haar eerste en misschien wel laatste bezoek aan een boekpresentatie. Dat ze het boek met persoonlijke opdracht bij een tweedehands zaak had neergelegd, doet vermoeden dat ze het slecht verhulde venijn in mijn opdracht, ondanks haar gulle lach van toen, uiteindelijk wel heeft ingezien.

Al snel had ik met behulp van ontkenning bedacht dat ze gewoon was overleden. Die boekpresentatie vond immers 26 jaar geleden plaats. Waarschijnlijk, zo borduurde ik voort op de eerdere gedachte, was ze onverwacht overleden en hadden haar kinderen een opkoper ingeschakeld om in alle haast haar woning te ontruimen.

Toch bleef het schuren. In mijn oude dagboeken die ik in dezelfde stemming uit de kast had getrokken vond ik de zin: ‘Waarom ben ik altijd zo onaardig?’

Ja, waarom altijd zo onaardig?
 

Posted on Leave a comment

NTV, oftewel Nieuwmarkt TV

Aan het begin van dit jaar, eigenlijk al eind vorig jaar, ben ik aan een project begonnen dat volgens mensen die er verstand van hebben, nooit zal slagen en die kans is ook zeker 80%, maar toch kan ik het niet laten. De redenen waarom deze site eenvoudigweg niet kán lukken zijn ongeveer net zo gevarieerd als de mensen die er een mening over hebben.

Zodra ik het heb over mijn videoproject, dan roept vrijwel iedereen dat een project met video alleen kan lukken als je je opstelt als een YouTube vlogger. Want die verdienen volgens velen bakken geld met de grootst mogelijke onzin. Mocht ik ooit ambiëren de grootst mogelijke onzin te creëren, dan zal ik mij zeker bij YouTube melden.

Natuurlijk moet ik mijn nieuwe site vooral ook goed op Facebook en Instagram promoten. Dat is een advies dat ik mijzelf had kunnen geven, want ik bouw websites sinds 1994 en ik ben altijd heel erg geïnteresseerd in statistieken en inderdaad leveren posts op Facebook en Instagram traffic naar je site, maar het is dataverkeer dat een beetje als motregen uit de lucht komt vallen, want meestal denkt men op een plaatje te klikken dat daardoor mogelijk groter wordt. In plaats daarvan bevinden ze zich dan op mijn website en ze weten niet hoe hard ze op de terugknop moeten drukken om weer als koetjes in de vertrouwde omgeving te komen waar dagelijks hun data wordt gemolken.

Als al je vrienden het doen en zelfs je vijanden (die je niet zonder moed geblokkeerd hebt), waarom jij dan niet?

Het feit dat websites direct ondergeschikt zijn aan social media en zoekalgoritmen is iets waar we ons druk over zouden moeten maken, maar dat doen we niet, want de meeste telefoonbezitters zijn in hoge mate digibeet. Niet schrikken, ze kunnen alles hoor, zo lang het maar binnen een appje op hun telefoon of tablet gebeurt.

Ik heb overigens jaren volgens die vertrouwde regels websites gemaakt en die sites waren soms wel en soms niet succesvol. Inmiddels ben ik echter 64 en interesseert het mij geen mallemoer meer om nog eens een platgetreden pad te betreden dat ik al sinds 1994 ken. Toen waren er nog geen social media, maar het gevecht met de vaak lokale zoekmachines loog er indertijd ook al niet om.

Een van de eerste directeuren van Google – ik ben zijn naam vergeten – had de stelling dat elke site met goede content succesvol zou worden – ongeacht hoeveel energie erin gestoken was met bijvoorbeeld SEO, oftewel search engine optimization, wat een benoeming is voor slimmer proberen te zijn dan een paar duizend hoogopgeleide geeks die over kwantumcomputers beschikken. Die laatste richting ben ik in ieder nog nooit ingegaan en ik ken eerlijk gezegd ook niemand die daar succes mee heeft geboekt.

Toch heb ik besloten al die goede raad terzijde te leggen en het beproefde concept van een succesvolle website geheel om te keren. Om dat te begrijpen moet ik eerst voorleggen wat een succesvolle site tegenwoordig eigenlijk is. Even los van het feit dat websites die als persoonlijk initiatief gebaseerd zijn op de gedachte dat interessante content automatisch ook interessante bezoekers oplevert tot een snel uitstervende soort behoren. Zijn in de zeer nabije toekomst echter alle websites die niet naar de monopolie van een marktsegment streven allemaal dood, dan geldt hetzelfde voor het Internet. Dan krijgt u voortaan alleen nog reclameboodschappen en herinneringen van de belastingdienst in uw mail of apps. En uiteraard verzoeken van uw werkgever om op zondagochtend nog ‘ff’ een probleempje op te lossen.

Ik ben geen wetenschapper en wil dat vooral ook niet zijn, maar het aantal bezoekers van succesvolle websites die niet bij een groot tech concern zijn aangesloten, bestaat voor een zeer groot deel uit ‘bots’, ‘crawlers’ en programma’s die SPAM proberen te injecteren via contactpagina’s of commentaarfunctionaliteit. Daarnaast heb je de ongeduldige klikkers die binnen een seconde weer van je site vertrekken omdat die niet zo snel is als de pagina’s van bijvoorbeeld Facebook, waar ze over een van de grootste serverparken ter wereld beschikken. Het doel van Facebook is dan ook om een punt te bereiken waarop hun pagina’s binnen een milliseconde op je scherm staan, zelfs als je eigen internetverbinding is uitgevallen. Een beetje zoals nieuwe Microsoftcomputers al ‘naar huis gebeld hebben’ voordat je het wachtwoord van je Internetprovider hebt ingevoerd, maar dan nog een tikje kwaadaardiger.

Apple is overigens ook al een tijdje niet meer je beste vriend die zo van design houdt.

Dit wordt te langdradig, vrees ik. Wat ik bedoel met het omkeren van het concept van websites bouwen, is dat ik probeer een website te bouwen op een heel oude gedachte en dat is dat een Internet dat van nature een mondiaal karakter heeft, alleen nog van dienst kan zijn voor een gerichte, lokale doelgroep als je er ook naar streeft dat die lokale doelgroep fysiek bij het project betrokken wordt.

Heel utopisch gedacht, ik weet het. Aan de andere kant is het Internet uit utopische gedachten geboren en door grijpgrage pragmatici omgetoverd tot een hele grote klont narigheid die ervoor gezorgd heeft dat mensen in 2019 net zo moeilijk zonder hun telefoon kunnen als in de vorige eeuw zonder sigaretten. ‘Je moet wat in je handen hebben,’ was toen het meest gehoorde argument van rokers.

Hoe dan ook. Met dit alles in mijn achterhoofd startte ik NTV, oftewel Nieuwmarkt TV. Een kleinschalig project dat ik samen met vriendin en zoon gestalte geef en ik geef ruiterlijk toe dat ik op Twitter aan promotie doe door dagelijks een bericht te plaatsen. Eenvoudigweg omdat een site die helemaal geen inbound links heeft niet van de grond komt.

Ondertussen film ik de directe omgeving. Wie geen zin heeft om op zondagochtend vroeg op te staan om te zien wat voor troep toeristen hebben achtergelaten voordat de vuilnisophaaldienst komt, vindt in mij een vriend die met een actiecamera op de fiets gemonteerd door de buurt rijdt om alles vast te leggen en als iemand me vraagt wat ik aan het doen ben, dan leg ik dat uitgebreid uit en zorg ervoor dat de persoon in kwestie weet hoe hij mijn site kan vinden.

De site bevindt zich nu nog in het stadium dat ik alleen wat lokale gebeurtenissen versla, maar zodra die wat groter is, ben ik ook van plan mensen te interviewen over hun leven hier in de buurt. Honderd keer kleinschaliger dan de plaatselijke omroep AT5, maar valt er ergens een toerist in het water dan zit ik niet naast mijn politieradio om met mijn camera op de fiets te stappen, dat laat ik graag aan hen over.

Waar dit project eindigt of hoe het zal aanslaan, dat weet ik niet. Het groeit op bijna organische wijze en het concept wordt wekelijks, zo niet dagelijks, een beetje aangepast. Zo hadden we in het begin een strikte uitsluiting voor fotografie, maar inmiddels is er ook een NTV foto-archief.

Mocht het project over drie jaar geheel mislukt blijken te zijn, dan heb ik heel wat door de buurt gefietst en ben ik op zijn minst tien kilo afgevallen en dat werd hoog tijd.

Het leven is zo mooi. Als je maar niet te veel naar anderen luistert.
 

Posted on Leave a comment

Bond voor Nare Mensen

Bond voor Nare Mensen
© Hans van der Kamp


Zou ik morgen wakker worden als een jongeman met bijpassend aangenaam uiterlijk dan zou ik mij verre houden van fotograferen en schrijven. In plaats daarvan zou ik mijn leven wijden aan het opzetten en het onderhouden van een Bond voor Nare Mensen. Niet alleen omdat ik dan een plek zou hebben waar ik naar hartenlust zou kunnen socialiseren, maar vooral omdat ik vind dat nare mensen in onze maatschappij eigenlijk niet genoeg ruimte wordt gegund. Zo lang als ik leef zijn immers de positiviteitsgoeroes aan de macht. Glimlachend en gul kwekkend in platitudes houden zij ons allen voor dat een gelukkig leven vooral samenhangt met een gebrek aan diepgang.

Op feesten en partijen voeren zij het hoogste woord. Alles is leuk en alles is prachtig. Je moet immers zelf wat van ‘je leven maken’ en als iets niet loopt zoals je dat zo willen, dan moet je er ‘gewoon wat harder aan werken’. Na drie of vier pilsjes ebt hun geleuter vaak weg, omdat het morgen ‘weer vroeg dag is’ en blijf jij als nare man of vrouw zitten met drie of vier andere nare mensen die nog ergens een fles jenever hebben gevonden om vervolgens iedereen die eerder op de avond langs is geweest in de meest vuige bewoordingen tot de grond toe af te fakkelen. En onherroepelijk elkaar. Een vijf dagen durend feest zoals de Grieken het in de oudheid vierden, zal het met nare mensen nooit worden.

Het woord overbevolking hoor je niet meer sinds de jaren negentig, maar dat er te veel mensen per vierkante kilometer rondlopen is een feit en dat vraagt om meer zuurstof in de vorm van verbroken vriendschappen, kapotgemaakte huwelijken en andere uit sociale verstikking voortkomende narigheden.

Alleen de nare medemens krijgt nog lucht.

We leven in een gepolariseerde maatschappij waarin links een hekel heeft aan rechts en andersom. Alleen de oprecht nare medemens moet braken bij het idee deel uit te moeten maken van een van beide partijen. De nare mens is individualistisch ingesteld en houdt het in groepen nooit lang vol. Noem ze egocentrisch of asociaal, maar ze vormen in ieder geval geen grote groepen die ergens voor of tegen zijn, want voordat je het weet wordt zo’n groep te groot en klepperen de laarzen met ijzeren hakken ‘s nachts door onze straten om andersdenkenden van het bed te lichten.

De nare medemens valt op hoogstpersoonlijke en ongeorganiseerde wijze de ander lastig. Door bijvoorbeeld tegen de buurvrouw te zeggen dat haar hondje wel een heel lief snuitje heeft, maar dat hij wel eens aan zijn stembandjes ‘geholpen’ zou kunnen worden, daarmee tegelijkertijd een laatste taboe doorbrekend. Katers worden immers aan hun voortplantingsorgaan ‘geholpen’ en dat is geen enkel probleem. Driejarige kinderen terugsturen naar hun land van herkomst is prima bespreekbaar bij de helft van de bevolking, maar de stembanden van een enkel onophoudelijk keffend hondje doorsnijden? Dat roept bij de positief ingestelde linkse of rechtse positiviteitsmens meer weerstand op dan welke genocide ook.

Daarmee duidt de nare mens geheel onbedoeld onze meest hypocriete beginselen. Zelf zal hij of zij genoegen nemen met het uiten van de onvrede en daarmee voor altijd de woede van de buurvrouw op de hals halen, maar hij heeft wel gezegd wat hij wilde zeggen en vaak is dat voldoende.

In een maatschappij waar uitspraken inmiddels verheven zijn tot daden en regelmatig als zodanig bestraft worden is het heel belangrijk dat er voldoende nare mensen overblijven die zich aan dat keurslijf onttrekken.

Zoals aan alle mooie plannen kleeft aan mijn opzet voor een Bond voor Nare Mensen slechts een tekortkoming. Vijfhonderd nare mensen bij elkaar in een soort festivalopzet, dat gaat misschien één enkele keer lukken, maar bij een tweede uitnodiging zal driekwart van de leden niet meer op komen dagen, want nare mensen kunnen nu eenmaal net zo gekwetst raken door vervelend gedrag van andere nare mensen.
 

Posted on Leave a comment

Tijdschrift Neerlandistiek

Thomas Rowlandson - Private Amusement
Thomas Rowlandson – Private Amusement

Ik geef het ruiterlijk toe. Zo af en toe lees ik het tijdschrift Neerlandistiek, hoewel ik toe moet geven dat Neerlandici niet de meest prettige mensen zijn die ik in mijn leven heb ontmoet. Ik vergelijk die groep taalkundigen graag met amateurfotografen. Hun technische kennis van lenzen, camera’s en de laagste prijzen voor apparatuur is encyclopedisch, maar een interessante foto maken ze zelden of nooit.

Zo weet een Neerlandicus altijd precies waar alle komma’s wonen, terwijl onze grammatica de schrijver toch een zekere vrijheid geeft. Was het niet de letterkundige Heldring die op uiterst humoristische wijze kon uitleggen hoe een verkeerd geplaatste komma in een internationaal verdrag een oorlog kon provoceren? Ik dacht het wel. Of zijn uitleg zo humoristisch was, dat weet ik nu niet meer zo zeker, maar dat ik mij die stelling nog herinner is veelzeggend.

Sommige stukken in Neerlandistiek maken me razend, maar andere teksten in hetzelfde tijdschrift troosten me juist weer diep. Zo hoort het. Geen eenheidsworst waarmee een bepaalde doelgroep op afroep bediend wordt, maar een virtueel samenzijn waarin visionaire lieden net zo nadrukkelijk aan het woord komen als de meest verstofte letter- en kommaneukers. Samen zullen we immers met onze taal ten onder gaan of gelauwerd worden.

Gisteren las ik een stuk van Marc van Oostendorp waarin hij het weblog als genre benaderde en dat deed hij op bijzonder liefdevolle wijze. Hij noemde twee auteurs die door hun uitgeverij aangemoedigd worden om ‘meer op het web te doen’, omdat die acties immers het krappe promotiebudget niet zo belasten en vervolgens ging het over blogs die hij niet wilde noemen omdat de makers zijn benadering mogelijk als kritiek konden ervaren. Daar spreekt toch echt liefde uit voor het vloeibare woord zoals wij dat kennen van het Internet. Zo’n houding zie je niet vaak bij taalwetenschappers.

Door geen namen te noemen voelde nu werkelijk iedereen met een weblog zich aangesproken. Al even liefdevol poneerde Van Oostendorp de stelling dat spelfouten een charmant kenmerk zijn van blogs.

Als jonge stukjesschrijver las ik veel werk van Gerard van het Reve en de man liet geen gelegenheid voorbijgaan om uit te leggen dat zijn manuscripten geheel foutloos naar de uitgeverij werden verzonden. Ik geloofde dat. Tot ik bij zijn toenmalige uitgeverij mijn eigen manuscript inleverde en tegen de eindredacteur zei: ‘Zo foutloos als het werk van Reve zal het wel niet zijn.’ De redacteur reageerde door een paar vellen manuscript van Reve uit een lade te trekken en ik zag wat ik nooit had willen zien: Reve maakte spelfouten. En nee, er was geen sprake van creatief woordgebruik, het waren gewone spel- en taalfouten.

Later leerde ik meer schrijvers kennen die om de haverklap spelfouten maakten of zelfs licht dyslectisch waren. Schrijvers met een indrukwekkend oeuvre.

Als redacteur maakte ik ook kennis met een paar auteurs die werkelijk nooit een spelfout in hun teksten hebben en van hen heeft vrijwel niemand ooit gehoord, simpelweg omdat ze wel kunnen spellen, maar niet kunnen schrijven. Het zijn helaas twee onafhankelijke disciplines. Zij die over beide talenten beschikken zijn gezegend.

Vandaag was er meteen een lang stuk in Neerlandistiek, geschreven door Suzanne Aalberse, onder de cryptische kop: ‘De hetterigheid van outfitten’. Het stuk pretendeerde dieper in te gaan op de eerder geplaatste bijdrage van Marc van Oostendorp, maar ging natuurlijk vooral over spel- of taalfouten. Zonder schroom erkende de auteur zelf fouten te maken omdat ze nu eenmaal slordig is.

Dat is nu precies de troost die alleen Neerlandistiek kan bieden.

De rest van het betoog deed mij denken aan de oude rubriek Een gouden tientje voor uw brief van het zwaar ondergewaardeerde tijdschrift Margriet. (In dat tijdschrift zul je namelijk zelden of nooit een spelfout vinden.)

Ik citeer: Het dagboekmoment: eergisteren hoorde ik een puber voor de spiegel zeggen: ‘dit outfit is helemaal mijn stijl’. Ik vroeg haar het nog een keer te herhalen. En toen vroeg ik haar een bijvoeglijk naamwoord erbij te zetten. Voor haar is het ‘leuk outfit’ en ook ‘het outfit’. Je kunt wel ‘deze outfits’ zeggen hoor, zei ze lief. Maar niet in het enkelvoud ‘deze outfit’. Dat klinkt een beetje buitenlands.

Voor de puber is outfit dus een onzijdig woord.

Nou en? Vreemd? Nee! Een outfit zoals een rok of broek mag door iedereen gedragen worden en is daardoor geheel in lijn met deze tijd genderneutraal. Niet onzijdig, want aan dat woord zouden bepaalde groepen in de maatschappij aanstoot kunnen nemen.

Een braaf eigentijds meisje, als u het mij vraagt, met een goed sociaal gevoel. Laten we niet vergeten dat taal niet het eigendom is van taalwetenschappers maar van de mensen die zich van die taal moeten bedienen. En wat beweegt is nog lang niet dood moet u maar denken.
 

Posted on Leave a comment

Een gelukzalig falen

Nette mensen in een nieuwe tijd
Detail uit tekening van George Grosz – Ecce homo

Elke week op woensdag stap ik op de trein naar mijn bejaarde moeder om haar twee dagen gezelschap te houden, wat klusjes te doen die zij zelf niet meer aankan en boodschappen in te slaan voor de komende week. Af en toe ga ik op een enkele dag heen en weer, maar alleen als mijn nicht José mij rijdt.

Omdat ik geen rijbewijs heb, maar mezelf wel graag hoor praten, probeer ik haar tijdens de rit op te vrolijken met verhalen. Meestal over mijn eigen leven alsof dat leven reeds ver achter me ligt. Dat klinkt alsof ik een vermoeide oude man ben, maar op mijn dertigste vertelde ik die verhalen ook al zo.

Regelmatig krijg ik naar aanleiding van die verhalen de vraag waarom ik mijn memoires niet ga schrijven. Daar word ik dan wat kribbig van. Ik leef immers in een tijd waarin Instagram influencers van 23 jaar zonder enige schaamte hun memoires aanbieden. Het woord heeft een vreemde bijklank gekregen.

Bovendien heb ik meer dan twintig jaar geleden al de sleutelroman Nette mensen in een nieuwe tijd geschreven waarin mijn leven eveneens centraal stond en die ervaring is me niet goed bekomen. De hoofdpersoon was weliswaar deels fictief maar er zat voldoende van mezelf in om negatieve recensies met enige reserve te lezen. Dat ‘de vader van de milde kritiek Alfred Kossmann’ de hoofdpersoon met de auteur vereenzelvigde om die vervolgens bij herhaling een klootzak te noemen, dat kwam hard aan.

Ik vergeet het nooit meer. Het was ruim na de Boekenweek in het jaar dat hij het kinderboekenweekgeschenk Lieve, lieve opa’s had geschreven. Sterf lieve opa, dacht ik op weg naar de slijterij.

Vóór het verschijnen van de roman zag ik mezelf vooral als een aandachtshoer, maar eenmaal even in de schijnwerpers voelde ik mij bijzonder kwetsbaar en onzeker. Een lezing geven ging eenvoudigweg niet zonder eerst minstens een halve fles wodka op te drinken en twee pilletjes Lorazepam te downen. Sloeg ik wartaal uit, dan vond ik dat prima, want ik was immers geheel verdoofd. Kennelijk was ik te arrogant of nog te jong om me te realiseren dat het publiek meestal braaf wacht met drinken tot na de voorstelling.

Ik kijk met schaamte op die periode terug. Het boterde ook niet helemaal tussen mij en meer stilistisch georiënteerde schrijvers die vooral met elkaar in competitie waren en tegelijkertijd ook niet zonder elkaars gezelschap konden. Ik vond het een nare wereld. Tegen uitgever Harko Keijzer heb ik eens uitgeroepen: ‘Kun jij je een wereld voorstellen die erger is dan die van de literatuur?’

‘Jazeker,’ antwoordde Harko, ‘de televisiewereld.’

Daar was geen speld tussen te krijgen, maar ik vond er weinig troost in. Binnen een jaar na het verschijnen van mijn roman had ik mij op een andere carrière gestort. Ik begon in 1994 een website waar ik de rol van vormgever, halfslachtige programmeur en redacteur aannam. Literatuur stond nog steeds centraal, maar ik beperkte mij vooral tot het schrijven van commentaren, in de zekerheid dat vrijwel niemand die zou lezen, want er waren immers slechts een paar duizend internetaansluitingen in het land. Ook pakte ik mijn oude beroep van fotograaf weer op.

Al snel had ik het weer naar mijn zin. Door anderen werd mijn overstap naar het internet in die tijd nog gezien als een groot falen. Daar hadden ze waarschijnlijk wel gelijk in. Zelf zag ik het ook wel eens als falen, maar meer als een gelukzalig falen, want zelden heb ik het zo naar mijn zin gehad. Opeens was ik goeddeels bevrijd van al die mensen waar ik het zo slecht mee kon vinden.

Hoe meer ik computers leerde begrijpen des te dieper werd mijn liefde voor apparaten die alleen iets fout doen als je ze de verkeerde opdracht geeft. Consequent en meedogenloos, zoals ik zelf had willen zijn.
 

Posted on 1 Comment

Een chagrijnig clowntje

Carnaval in Groesbeek

U raadt het al. Dat chagrijnige clowntje, dat ben ik. Dat was niet alleen omdat ik een Houten Haarlemmer op bezoek in het bourgondische zuiden van het land was. Ik haatte het om gefotografeeerd te worden. Nu nog trouwens, maar om heel andere redenen. Als kind had ik hele bizarre ideeën over fotografie. Zo verkeerde ik in de waan dat een fotograaf via magische processen een laagje van me afschraapte om dat vervolgens op papier te plakken. Ik was bang dat er uiteindelijk niets meer van me over zou blijven.

Die gedachte klinkt nu gestoorder dan hij indertijd was. Veel fotografen werkten nog met platencamera’s en zij verdwenen dan op het laatste moment onder een zwart doek om scherp te stellen. Het is moeilijk om als kind acties te vertrouwen die onder een groot, zwart doek plaatsvinden.

Een tijd lang wilde ik om die reden zelf fotograaf worden teneinde aan al die voodoo te ontkomen, maar lang zou dat niet duren, want al snel zou ik inzien dat mijn angsten ongegrond waren.

Toch ben ik nu, na veertig jaar fotografie, weer net zo overtuigd dat het niet goed is voor je geestelijke gezondheid is om te veel foto’s van jezelf te maken of te laten maken. Niet vanwege duistere technieken, maar vanwege het fnuikende effect dat fotografie op de lange duur op je zelfbeeld kan hebben. Ik zie het op Facebook en Instagram gebeuren. Mensen die spontaan foto’s van zichzelf gaan maken, worden na een tijdje door het fluctuerende aantal likes gedwongen om veel te kritisch naar zichzelf te kijken. Ben ik niet te dun? Ben ik niet te dik? Staan mijn ogen niet te dicht bij elkaar?

Volg je zo iemand lang genoeg dan zie je ook dat ze steeds meer aan hun uiterlijk gaan veranderen. Het begint met filters en het eindigt vaak met medische ingrepen. Alles wordt in de strijd gegooid om het aantal likes te vergroten dat opeens allesbepalend is geworden voor een positief zelfbeeld. Ik hoorde het een model die voor mij poseerde een paar weken geleden nog zeggen: ‘Als ik minder dan twintig likes krijg, dan weet ik dat mijn leven waardeloos is.’

Wat me dan nog het meest verbaast is dat mensen ook nog echt geloven dat een aantrekkelijk, sexy uiterlijk van het grootste belang is voor succes in de maatschappij. Ik kan daar als man van 63 jaar met overgewicht niet meer echt over meepraten, maar ik kan me nog heel goed herinneren hoe het was om een redelijk mooie jongen van 28 te zijn. Misschien lag het aan het mijn ambities, maar mijn uiterlijk was eerder een handicap, wilde ik serieus genomen worden. Ik had het gevoel dat ik twee keer zo hard moest presteren dan iemand met zo’n prachtig intellectueel ogend aardappelhoofd, compleet met jampotbril en vette haartjes.

Kijk naar politiek en bedrijfsleven, daar zie je ook dat onooglijke mannen en vrouwen de hoogste ogen gooien.

Posted on 2 Comments

De zachte werkelijkheid

© Alfred Cheney Johnston


Als jongen van 17 jaar werkte ik bij een portretfotograaf. Het was een bedrijf dat van vader op zoon was overgegaan. De vader bevond zich weliswaar nog in het pand, maar hij had geen beslissingsbevoegdheid meer. Hij was een interessante Duitser van in de negentig, die de zaak in 1922 had opgericht. Zodra zijn zoon in de buurt kwam vluchtte hij naar zijn zolderkamertje. Was zijn zoon echter ‘op reportage’ oftewel bezig het zoveelste huwelijk vast te leggen, dan schoof hij bij mij aan en mopperde hij wat over die moderne fotografie op filmrolletjes. Dat was maar niets in zijn ogen.

Hij was een man van fotografie op glasplaten en hij had er zichtbaar plezier in dat zijn oude, houten camera’s mij fascineerden. Zo kwam het dat ik als een van de weinige mensen van mijn generatie leerde fotograferen op glasplaten. Ook leerde hij mij hoe ik met een zacht potlood op deze glazen negatieven kon retoucheren. Door piepkleine rondjes te draaien kon ik met veel geduld diepe schaduwen verzachten en al te geprononceerde rimpels verwijderen. Was de retouche te duidelijk zichtbaar in de uiteindelijke afdruk, dan leerde hij mij hoe ik dat met een penseeltje en wat eiwitlazuurverf weer kon corrigeren.

Eiwitlazuurverf werd ook in de ‘moderne fotografie’ van zijn zoon gebruikt maar uitsluitend om witte puntjes, veroorzaakt door stof bij het afdrukken van zwartwitfoto’s, te verwijderen.

Zijn zoon vertegenwoordigde met zijn Hasselblad het moderne leven. Zoals de vader zichzelf vooral zag als vakman, zo voelde de zoon zich bovenal een kunstenaar. In zijn vrije tijd fotografeerde hij Surinaamse en Antillaanse vrouwen naakt en de meest kuise beelden kregen wel eens een plekje achter in de etalage, dit tot niet geringe ergernis van zijn echtgenote. Alle foto’s in koe-leur, uiteraard, want men mocht zich – ook toen al – niet tegen vooruitgang verzetten.

De oude baas vond dat allemaal maar niets. Die kleine filmrolletjes en het moeizaam te beïnvloeden proces van kleurenfoto’s afdrukken was in zijn ogen duur, omslachtig en goeddeels overbodig. Bovendien waren de foto’s in zijn ogen niet scherp of gedetailleerd genoeg.

Daar zat wat in. Als je op een glasplaat van 13 bij 18 centimeter fotografeert, krijg je veel meer detail dan wanneer je met een filmrolletje werkt. Voordeel van dat gebrek aan detail bij film was wel dat portretfoto’s bijna niet geretoucheerd hoefden te worden. Een haartje uit een neusgat, of een beginnende pukkel, dat viel allemaal keurig weg in de textuur van de film, die naar de smaak van de tijd vaak wat korrelig werd afgewerkt.

Ik denk nu regelmatig aan beide mannen, vooral als iemand op internet gaat lopen zeuren dat fotografie geen echte fotografie meer is sinds de komst van Photoshop.

Allereerst begrijp ik niet zo goed waarom sommige mensen zo hechten aan realiteit. De werkelijkheid is vaak niet zo prettig en het belang ervan wordt mijns inziens zwaar overschat. Dat een journalistieke foto zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid moet liggen, dat snap ik dan weer wel. Zouden fotografen beeld van nieuwsgebeurtenissen gaan manipuleren, dan is het einde zoek, alhoewel dat ook slechts een halve waarheid is, want alleen al de aanwezigheid van een persfotograaf beïnvloedt de situatie die hij of zij fotografeert.

De ene volksbevrijder, voorzien van een machinegeweer, ziet in de aanwezigheid van de pers een goede aanleiding om tien mensen door het hoofd te schieten met als doel een krachtige boodschap te sturen naar de kijker die zich veilig ver van het tafereel bevindt. Een andere vrijheidsstrijder zal bij de aanwezigheid van een cameraploeg besluiten het verkrachten van een groepje jonge maagden op het dorpsplein nog maar een dagje uit te stellen om de goede zaak niet al te veel te schaden.

Tot zover de onvolprezen authenciteit van de persfoto. Meer woorden wil ik er niet aan besteden.

Inmiddels is het modern doen van de kwieke vijftiger indertijd hopeloos ouderwets geworden en werken we als fotografen met camera’s die qua detail eigenlijk weer veel lijken op de camera’s met glasplaten van 13 bij 18 centimeter. Een camera met een sensor van 40 megapixels levert een te gedetailleerd beeld, tenzij je met een opsteekflitsertje alle stofweergave naar de ratsmodee klikt. Perspectivisch sluiten die beelden sowieso al niet aan bij de werkelijkheid, maar daarnaast levert het beeld meer nuances op dan het menselijk oog zou waarnemen. Precies om die reden gebruiken we Photoshop of filters op onze smartphones.

Dan kunnen bleeding hearts gaan roepen dat troepen jongeren zich voor de trein werpen omdat ze zich niet kunnen meten aan de geïdealiseerde beelden in de media, maar dan begrijpen zij de essentie van fotografie niet. Fotografie is nog nooit een adequaat middel gebleken om de werkelijkheid vast te leggen, net zo min als journalistiek ooit de kern van wat dan ook heeft weten te raken. Voor de onversneden werkelijkheid kunt u nog altijd het beste terecht in literatuur of beeldende kunst, al klinkt die uitspraak op het eerste gehoor wat tegenstrijdig.

De fotografische werkelijkheid kan een streven zijn, maar een narekenbare wetenschappelijke realiteit zal het nooit worden. Die prachtige foto van uw betovergrootmoeder met haar mooie vollemaansgelaat en haar lelieblanke huid? Het is goed mogelijk dat zij in werkelijkheid inktzwart dons op de bovenlip had en dat iemand zoals mijn oude leermeester dat met een potloodje heeft verwijderd. En niemand die daar in de tijd van die foto zelfmoord voor pleegde. Daar is meer narigheid voor nodig.
 

Posted on 1 Comment

Johannes C.F.

Tegenwoordig deelt Facebook straffen uit aan mensen die zich niet aan hun regeltjes houden. Twee dagen geen toegang tot uw profiel omdat u een foto van een vrouw met ontblote borst heeft geplaatst, of zelfs een maand schorsing als u dat regelmatig doet.

Geblokkeerd worden op Facebook heeft vrijwel altijd iets met naakt of met seksuele voorkeur te maken. Voor de rest kan eigenlijk alles wel, de Ku Klux Klan heeft bijvoorbeeld vrij spel. Mensen die homoseksualiteit een ziekte noemen vormen rond deze opvatting groepen met duizenden aanhangers, dat is geen probleem. Hun advertentiegeld is bij Facebook ook meer dan welkom.

Kortom, het is een duidelijk Amerikaans gevoel voor wat wel en wat niet kan. Wie zich nog over Amerikanen wil opwinden kan eigenlijk wel bezig blijven.

Toch wordt het beleid van Facebook wat soepeler. Tijdens de opkomst van het netwerk kreeg je geen straf in de vorm van een tijdelijke toegangsbeperking, dan werd gewoon je hele profiel verwijderd. Dat is mij tweemaal overkomen. De laatste keer was in 2012. Ik had een vrouw van in de zestig gefotografeerd met een gul decolleté. Dat mocht niet. Was het een vrouw van in de twintig geweest dan had dat decolleté nog wel door de beugel gekund, maar kennelijk had men wat tegen rijpere vrouwen.

Ook daar moet je dan maar niet te lang over nadenken.

Ik begon een nieuw profiel en ik werd nog voorzichtiger. Facebook blijft een goede manier om verkeer naar je site te loodsen, dus je past je aan. Over dat profiel van 2012 heb ik niet meer nagedacht totdat ik een paar dagen geleden een bericht ontving dat mijn profiel weer openbaar was. Ik wist eerst niet eens waar ze het over hadden, maar toen ik de pagina bezocht en een heel oud wachtwoord gebruikte zag ik mijn oude profiel, volledig gestript van alle bijdragen. Wel stond er nog in een keurig overzichtje op welke dagen ik wat geplaatst had.

Het idee om twee gebruikersprofielen te hebben leek me opeens wel aardig, dus ik veranderde mijn voornaam Hans naar Johannes C.F. oftewel mijn hoogsteigen serieuze doopnamen. Ik plaatste voor de grap een tekening die ik ooit had gemaakt en die ik zeker niet op mijn door fotografie gedomineerde pagina zou zetten en de vriendschapsverzoeken kwamen na een dag of twee op gang. Ik voel me nu opeens een redelijk geslaagde tekenaar, wat ik natuurlijk in het geheel niet ben, maar het draait ook niet om de werkelijkheid in Facebookland.

Zie: https://www.facebook.com/hans.vanderkamp.71404