Posted on Leave a comment

Social media en particuliere websites

Veel mensen die zichzelf als weldenkend beschouwen, vinden Facebook verwerpelijk en Twitter daarentegen een acceptabel platform. Voor mij is dat onbegrijpelijk en het leidt ook tot discussies waar ik liever niet aan deelneem, omdat mijn weerzin naar social media in algemene zin vaak te groot is.

Ik heb een aantal websites in beheer en ik wil die niet achter het behang zien verdwijnen, dus zal ik met gepaste regelmaat een foto, een tekst of een filmpje op social media moeten plaatsen. Niet eens om daadwerkelijk mensen naar mijn site te lokken. Social media zou je omheinde vestigingen kunnen noemen. Een klik op een externe link zet een aantal marketingprogramma’s in werking die het gedrag opslaan van degene die zich buiten de club wenst te begeven, waardoor een vertraging van een seconde of langer wordt ingezet. Dat lijkt niet zo veel, maar bij connectiviteit op het internet kunnen milliseconden van groot belang zijn.

Eigenlijk plaats ik die berichten dus voor de robotjes, de crawlers, die het Internet voortdurend aftasten op relevante links. De algoritmen die daaraan ten grondslag liggen moet ik dus zien te charmeren opdat mijn ‘content’ gevlagd wordt als relevant, wat mijn positie in de zoeksystemen verbetert.

Wil ik dat eigenlijk nog wel? Dat vraag ik mij steeds vaker af. Deze nieuwe site is bijna af en eigenlijk is dit het moment dat ik voor het gemak deelknoppen voor social media zou moeten installeren om mijn ‘content’ onder de aandacht te brengen.

Vanuit een maatschappelijk oogpunt vind ik social media verwerpelijk. Niet omdat iedereen kan zeggen wat hij wil zeggen, want dat is alleen maar mooi. Helaas weten veel mensen niet wat ze moeten zeggen, dus blaten ze het dichtstbijzijnde verbaal begaafde mediaschaapje na, waardoor je dus honderden keren dezelfde mening, bijna exact gekopieerd in je timeline ziet verschijnen.

Extreme polarisatie is zoals bekend het indirecte, maar onontkoombare gevolg.

Voordat je het weet, bevind je je in een meute woedende mensen die zonodig iemand aan een paal moeten spijkeren of op de brandstapel willen gooien. Vooral Twitteraars excelleren daarin. Wil ik die mensen op mijn site? Het zijn vooral smartphonejunkies die geen geduld hebben en postzegelgrote afbeeldingen met een noodgang onder hun vingers weg laten rollen. Ik moet mezelf voortdurend iets wijsmaken als ik denk dat dit een productieve manier is om mijn werk onder de aandacht te brengen.

Natuurlijk ben ik ook iemand die graag de curve in mijn statistieken ziet stijgen, maar niet ten koste van mijn geestelijke gezondheid. Ik hoef al die haat en onvrede niet te vaak voorbij zien rollen op Twitter.

Mensen die Facebook met veel dédain Feestboek noemen, hebben tot op grote hoogte gelijk als ze beweren dat FB nog intrusiever en manipulatiever is dan Twitter, maar het valt met de haat en de onvrede op Facebook behoorlijk mee, zeker in vergelijking tot Twitter.

De slimmerik die veel televisie kijkt, zal dan roepen: ‘Ja, maar je zit in je eigen bubbel op die social media. Je krijgt op jouw klikgedrag gebaseerde berichten te zien.’

Ja, dat is zeker zo. Je gedrag wordt bijgehouden, maar zegt dat automatisch dat je berichten te zien krijgt die je zou willen zien? Nee, een veel beter verdienmodel is om je berichten voor te schotelen waar je razend van wordt, want dat dwingt tot deelname, oftewel hard roepen dat je het met die en die in het geheel niet eens bent. Provocatie is al eeuwenlang een beproefde manier om mensen bij de les te houden. Ik heb van die wijsheid in mijn leven – tot mijn spijt – vaak genoeg misbruik gemaakt.

Social media zijn vooral afhankelijk van de intensiviteit van je deelname. Positief of negatief, dat maakt niet uit. Zoals ook de smartphone, zonder de verslavende effecten van makkelijk contact zoeken of maken, een bijzonder beroerd verdienmodel zou zijn.

Posted on Leave a comment

Evenwijdige lijnen

Evenwijdige lijnen

Iedereen zal zijn eigen stokpaardjes berijden, wanneer hij of zij zich in het open riool van social media begeeft. Ik ben daar geen uitzondering op. Ik verdenk mezelf ervan dat ik social media alleen tot mij neem wanneer ik zin heb om me eens stevig te ergeren. Aan het einde van een uurtje doelloos scrollen moet ik steeds weer tot de conclusie komen dat mijn eigen meningen waarschijnlijk ongeveer net zo beperkt zijn als die van anderen en dat brengt dan toch wat rust in mijn hoofd.

Terwijl ik dit noteer, adviseert mijn in Gutenberg ingebouwde Grammar Fascist dat ik tot de conclusie komen beter niet kan gebruiken omdat het stilistisch niet zo mooi is. Na lang nadenken bedacht hebben, dat zou beter zijn. Die regels code die samen een soort kunstmatige intelligentie vormen en mij ongevraagd van taaladvies voorzien, die weten meer van stijl dan ik. Het zou arrogant van mij zijn om te denken dat die ook veel fouten maken, want dan zeg ik indirect dat de wetenschappers die het programma geschreven hebben weinig van taal of stijl hebben begrepen. Ik moet in deze barre tijden, althans dat lees ik vrijwel overal, vooral aan de kant van de wetenschap staan.

Er wordt veel gehoorzaamheid gevraagd van de moderne mens en dat brengt mij terug naar een boswandeling met pater Austriclinianus Klaver OFM en zijn hond Scotus, vernoemd naar de vermaarde theoloog en filosoof.

Het moet ergens in 1974 zijn geweest. ‘Pater, waarom is het toch zo dat gymnasium alfa in lager aanzien staat dan gymnasium bèta?’ vroeg ik hem.

‘Tja, dat is zo gegroeid,’ zei pater Austriclinanus, terwijl hij een stok ver van zich afwierp om de moddervette Scotus tot wat beweging te dwingen.

‘Dat snap ik niet,’ antwoordde ik, ‘door talen verdiep je jezelf immers ook in andere culturen en leer je, of probeer je althans, dat wat ogenschijnlijk vreemd of anders is te doorgronden en uiteindelijk te begrijpen. Die exacte vakken zijn vooral leervakken gebaseerd op voorgebakken wetten. Noem ze rekenvoorbeelden waar je in moet gelóven, anders kom je niet verder. Je moet eigenlijk een behoorlijk dociele natuur hebben om met dat abstracte denken uit de voeten te kunnen.’

‘Gelóven?’ Austriclinianus klonk geïrriteerd. Hij was toch theoloog en je moest bij hem niet aankomen met een uitspraak dat exacte vakken iets met religie van doen zouden hebben.

Ik had gelukkig een voorbeeld paraat: ‘Gisteren werd het axioma besproken dat zegt dat twee evenwijdige lijnen elkaar snijden in het oneindige en toen dacht ik even hardop en zei ik dat het snijden in het oneindige van die twee lijnen wel het best denkbare bewijs was dat die lijnen toch niet zo evenwijdig waren als ze in eerste instantie leken te zijn.’

‘Nou?’

‘Toen werd ik de klas uitgestuurd.’

Hij keek me even bezorgd aan. Hij had hoge verwachtingen van mij en de klas uitgestuurd worden verstoorde dat beeld.

Koppig als ik ook toen al was ging ik voort met mijn betoog. ‘Als het van buiten leren en voor zoete koek aannemen van rekenmodellen, wat toch vooral een passieve activiteit is, in hoger aanzien staat dan je tot het uiterste verdiepen in onze geschiedenis en andere culturen, dan zegt dat iets over wat er later in de maatschappij van onze generatie verwacht gaat worden.’

‘Dat zie ik niet meteen zo voor me,’ zei Austriclinianus. Hij had zich verheugd op leuke gesprekken over theologie, zoals we die wel vaker voerden. Over dat god, hemel en hel waarschijnlijk niet bestaan, maar dat ze mensen, die niet al te stabiel van geest zijn, wel veel steun en begeleiding bieden in het dagelijks leven. Dat soort onderwerpen.

‘Nou, volgens mij heeft de maatschappij meer behoefte aan mensen die gehoorzaam uitvoeren wat door anderen al bedacht is, dan mensen die een onderzoekende en kritische natuur hebben.’

Nu moest hij eindelijk weer eens lachen. ‘Ja, daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben. Maar is dat niet altijd zo geweest?’

‘Dat zou ik niet weten, pater, maar we weten allebei dat de katholieke kerk er groot mee is geworden.’

Pas veel later zou ik leren dat het axioma in ons meetkundeboek een verkeerd inzicht gaf of verkeerd geformuleerd was. Twee evenwijdige lijnen snijden elkaar niet. Dat wist men al in de late Middeleeuwen.

Pater Austriclinianus Klaver OFM is inmiddels dood, vermoed ik zo. Dus hem kan ik het niet meer vragen, maar stond ik nu aan de kant van de wetenschap toen ik de klas uitgestuurd werd? Of was ik gewoon ongehoorzaam? Of had ik in de woorden van de premier gewoon effe normaal moeten doen?

Die maatschappij van gehoorzame geesten is er overigens wel gekomen. Dat had ik toch goed voorzien met mijn zestien jaar oude warhoofd.

Posted on Leave a comment

E-books

E-books

Ergens rond de eeuwwisseling hadden mijn toenmalige zakenpartner en ik wilde plannen met e-books. Zij was wat enthousiaster dan ik. Dat kwam niet omdat ik geen glorieuze toekomst zag voor e-books, maar omdat ik al voorloper was sinds 1994 op het vlak van digitale projecten die met literatuur te maken hadden. Mijn grootste bezwaar was dat ik al te veel werk had. Werk waar ik eigenlijk geen zin meer in had. Zo leverden de auteurs van mijn digitale uitgave ‘de Opkamer’ vaak nog aan op papier, in plaats van op een floppy of per e-mail. Ik werd een soort productie-assistent van mijn eigen projecten. Ik legde mijn compagnon uit hoe Word op een Windowsmachine werkte, ik loste alle technische probleempjes op en wilde ik daar af en toe het een en ander over kwijt bij de redactie, dan klonk echter het terugkerende verwijt: ‘Hans praat weer eens Chinees.’

Dat ging snel vervelen.

Het samenwerken met de in typemachines denkende medemens werd een steeds grotere belasting voor me en uiteindelijk werkte ik zo’n beetje iedereen mijn wereldje uit en ik stortte mij op het ene na het andere soloproject, blij als ik was dat ik even niets meer hoefde ‘uit te leggen’ aan mensen die vastbesloten waren niets te absorberen van wat ik te melden had.

Ik werd al vanwege mijn activiteiten op het web geminacht door mijn eigen uitgever die geen toekomst zag in Internet. Zelfs bij de Rabobank werd ik op daverende lachsalvo’s getrakteerd toen ik in 1996 tienduizend gulden wilde lenen voor het opzetten van een bedrijfje dat mensen de mogelijkheden bood om hun data veilig op te slaan op een externe server. Ik was op dat idee gekomen omdat Windows 95 niet het meest stabiele besturingssysteem was. Veel gegevens gingen in die tijd door crashes, en een slecht of afwezig back-upbeleid, simpelweg verloren.

Nadat hij uitgelachen was keek de account manager van de Rabobank me met waterige ogen aan en zei: ‘U denkt toch niet serieus dat mensen écht zo naïef zijn dat ze hun persoonlijke gegevens op een server van derden gaan opslaan?’

Ik had zin om het nog eens opnieuw uit te leggen, maar ik was het uitleggen zo zat. Jaren later zag ik met lede ogen Dropbox, iCloud, WeTransfer en vele anderen verschijnen.

Ik praat nu over lang vervlogen tijden en inmiddels heb ik mijn AOW-papieren binnen. Hoewel ik dat niet van mezelf gedacht zou hebben, zette die pensioengerechtigde leeftijd allerlei gedachten in gang. Eén daarvan was dat ik mijn zoon niet met een onoverzichtelijk groot archief op wou zadelen, zoals ik ooit opgezadeld werd bij het overlijden van mijn vader met zo’n 6000 modelspoortreintjes. De lieve man had een aangekondigde dood in de vorm van longkanker, maar in de zes maanden dat hij nog te leven had, was hij vooral bezig geweest met zich neerleggen bij zijn lot en aan dingen regelen is hij niet toegekomen. Niet dat ik hem dat ooit echt kwalijk heb genomen, maar zelf zou ik het anders willen doen.

Mijn zoon gaf laatst aan dat hij na mijn dood graag deze website zou willen blijven onderhouden. Het is niet zozeer dat we graag op de feiten vooruitlopen, maar we hebben toch ook wel in ons achterhoofd dat mijn vader, zijn grootvader, slechts enkele maanden van zijn pensioen heeft kunnen genieten. De pensioengerechtigde leeftijd was toen 65 jaar en op mijn leeftijd nu was hij al overleden.

Voor mijn foto-archief heb ik al jaren een oplossing, maar na 1993, toen de roman Nette mensen in een nieuwe tijd verscheen bij L.J. Veen verscheen, heb ik relatief weinig gepubliceerd. Het laatste korte verhaal dat ik op verzoek inleverde was voor het zomernummer van Propria Cures. (2020)

Wel ben ik al die decennia als een bezetene door blijven schrijven in mijn ‘vrije tijd’ en een aantal van die teksten is op mijn blog geplaatst, maar de meeste teksten, vooral de (nog) langere, staan voor een deel in archiefdozen en voor een ander deel op harde schijven. Eigenlijk vind ik dat de vruchten van die inspanningen wel bewaard mogen blijven, zo lang ze maar geen fysieke ruimte innemen. Zo kwam het dat ik op regenachtige dinsdagmiddag een aantal van die teksten in e-books begon te gieten, gebruik makend van Adobe’s InDesign. Omdat de teksten vaak beeld bevatten en heel soms ook handschriften van mensen die vele malen belangrijker zijn dan ik, leek me Pdf het beste formaat.

Ik ging er zelfs in mijn achteloosheid vanuit dat dit ook een ideaal formaat voor e-books zou zijn. Waar ik geen rekening mee had gehouden, of wilde houden, is dat veel mensen graag een Kindle gebruiken. Die apparaatjes van monopolist Amazon kosten vrijwel niets vergeleken met tablets, smartphones en laptops, maar ze hebben uiteraard wel hun eigen bestandsformaten.

Dus ik ging me weer eens verdiepen in techniek, iets wat ik eigenlijk een beetje afgezworen heb, want al sinds het brede gebruik van smartphones, ben ik mijn interesse in techniek een beetje kwijtgeraakt. Ik denk veel na over smartphones, maar dan meer in betrekking tot de sociale en maatschappelijke gevolgen van die uitvinding.

Al snel kwam ik erachter dat er niet veel veranderd is in de techniek van het produceren van e-books. Het Epub-formaat, gebaseerd op HTML, is nog steeds marktleider en dat is een formaat dat zo vloeibaar is dat het in mijn ogen niet echt optimaal is voor het leveren van tekst in combinatie met beeld en vormgeving. Heel geschikt als je een e-book ook echt via allerlei platformen te koop wilt aanbieden en dat is wat mijn zoon het liefst zou zien. Niet uit eigenbelang, want hij is veel geslaagder dan ik in het vergaren van inkomen, maar hij gunt mij wat financiële ruimte, want ik heb als creatief, een goed deel van mijn leven eigenlijk vrijwel voor niets gewerkt.

Dus ga ik me maar weer eens verdiepen in Epub. Eigenlijk een beetje tegen mijn zin in, want ik geloof niet meer in distributie via grote, vaak Amerikaanse bedrijven. Ze hebben zoveel regeltjes, voortkomend uit het zeer preutse en bekrompen Amerikaanse denken, dat vrijheden zeer aan banden worden gelegd. Er is in mijn werk altijd wel iets wat niet aan hun Terms of Service voldoet, of wat een betaalsysteem tegen de haren instrijkt.

Ondertussen zal er dus af en toe ongetwijfeld alvast wat in Pdf-formaat verschijnen op mijn pagina Downloads. Als ik de keuze moet maken tussen mijn werk censureren (vooral illustratieve fotografie) en de paar kwartjes die zij mij gaan toewerpen, dan hoef ik eigenlijk niet zo lang na te denken.

Posted on Leave a comment

NORDEN

Wat wel leerzaam was aan het jaartje redactie voor het tijdschrift OpNieuw, is dat ik mij weer moest inwerken op een pagina-opmaaksysteem. Het laatste programma waar ik mee gewerkt had was Ventura Publisher en daarbij had ik ook nog eens de hulp van mijn toenmalige eindredacteur. Nu stond ik er goeddeels alleen voor, al had ik behoorlijk wat hulp van mijn zoon Max, die vormgever van beroep is, maar ook een goede docent zou zijn.

Dat er een einde zou komen aan mijn werkzaamheden voor OpNieuw zag ik van verre aankomen. De tijdschriften die ik in het verleden gemaakt heb, zowel op papier als op het web, hadden een concept dat door mijzelf bedacht en uitgeschreven was. Dat voelde aanzienlijk beter. Ik heb geen problemen met het werken voor een te lage vergoeding, maar dan moet het wel voor een bladconcept zijn waar ik volledig achter kan staan.

Dus al ploeterend voor onze buurtuitgave, bleef ik fantaseren over een bladconcept dat dichter bij mijn eigen voorkeuren lag. Eigenlijk geeft mijn fotografie het beste aan waar mijn interesses liggen. Al op de overzichtstentoonstelling vorig jaar bij NDSM-fuse kon ik mij niet aan de gedachte onttrekken dat het vele werk dat daar hing nog het beste tot zijn recht zou komen in een boek. Tegelijkertijd zag ik in dat een boek dat een overzicht van bijna vijftig jaar fotografie zou geven, wel enorm dik zou worden en dus een enorm kostbaar project zou zijn.

Al snel begon ik aan een eigen tijdschrift te denken. Ik maakte daar in het begin graag grapjes over. Het tijdschrift zou over kunstenaars en sekswerkers moeten gaan, omdat die twee groepen in de samenleving mij het dierbaarst zijn.

Mijn definitie van het kunstenaarschap is echter nogal ruim. Zo zijn in mijn optiek Drag Queens, Faux Queens, Drag Kings, Burlesque performers, Dominatrixes, etc. ook kunstenaars. Ze gebruiken hun eigen presentatie als een hoogst persoonlijke vorm van expressie die in mijn ogen valt onder kunst. Het ontstijgt in ieder geval de al voor de hand liggende noemer van podiumkunsten, want er is meer aan de hand. Het heeft ook veel te maken met gender en in zekere zin ook met seksuele expressie als drager van een boodschap.

Die groepen performers opereren binnen hokjes die eigenlijk door het publiek en de organisatoren bepaald worden, terwijl ze zoveel met elkaar te maken hebben. Drag Queens zijn bijvoorbeeld vaak ook activisten die opkomen voor de steeds kwetsbaarder wordende LHBTQi+ gemeenschap.

Aan de andere kant is Burlesque ondenkbaar geworden zonder het feminisme dat veel performers en hun publiek na aan het hart ligt.

Ook Meesteressen in de wereld van BDSM dragen bij aan het bijstellen van oeroude rolpatronen.

In mijn ogen zijn al die mensen samen de pioniers van een nieuwe maatschappij die meer rekening houdt met persoonlijkheid en waarin stereotypische rolpatronen onontkoombaar doorbroken gaan worden.

Zo ontstond de basis voor een bladconcept. Een tijdschrift dat ook nog eens een naam moest hebben. Ik koos voor NORDEN, een verwijzing naar mijn eerste jaren als fotograaf/journalist, toen ik van mijn moeder niet onder mijn eigen naam mocht schrijven en onder het pseudoniem Max van Norden publiceerde. Van Norden lag immers niet ver van haar meisjesnaam Van Doren.

Vrijwel niemand zal die verwijzing zien en dat is ook niet belangrijk. NORDEN is als titel gewoon vaag genoeg, zodat er gaandeweg ook nog aan het bladconcept gesleuteld kan worden zonder dat de titel opeens de lading nog maar half dekt. Een pragmatische keuze, dus.

NORDEN is als titel wel makkelijk te onthouden.

Iets anders wat ik bij OpNieuw geleerd heb, is dat ik niet meer voor alle bijdragen onder uiteenlopende pseudoniemen wil tekenen. Ook vind ik mijn eigen fotografie best wel eenzijdig in uitvoering. (Altijd weer die neutrale achtergronden. Wel heel effectief als je de geportretteerden centraal wilt stellen, maar ietwat monotoon.) Het tijdschrift vraagt echter om meer verschillende inzichten qua beeld, dus er zullen ook andere fotografen aan meewerken. Hopelijk ook illustratoren en als vanzelfsprekend ook tekstschrijvers.

NORDEN bevindt zich op dit moment in het stadium van wat ik een digitaal nulnummer zou willen noemen. Er zijn achttien pagina’s in te zien voor mensen die eventueel mee willen werken.

Als verschijningsdatum is 11 november 2021 gekozen, zonder daarbij rekening gehouden te hebben wat die dag zoal betekent in verschillende culturen. Die dag kwam gewoon het beste uit in de agenda.

Hoofdsponsor zal uiteraard Stichting NTV Amsterdam worden.

U zou mij in ieder geval een groot plezier kunnen doen door een bezoekje te brengen aan de website norden.ws, waar u zich ook kunt inschrijven op de nieuwsbrief. Dat is vooral belangrijk als u mee wilt werken, of simpelweg op de hoogte gehouden wilt worden van de laatste ontwikkelingen.

Posted on Leave a comment

De Pfizertjes

Jaren geleden zat ik enigszins aangeschoten in de trein, toen bij een tussenstop twee jonge vrouwen instapten. Uit hun verhalen bleek dat ze recent een marketingopleiding hadden afgerond en nu in de journalistiek werkten. Ik geloof voor de Volkskrant online. Zij hadden een geanimeerd gesprek over Ebola.

‘Heb jij dat nu ook,’ zei de ene, ‘dat je dan een bericht doorkrijgt dat er misschien een Ebolabesmetting is in een ziekenhuis en dat je dan stiekem hoopt dat het deze keer nu eens geen vals alarm is?’

‘Hou op,’ zei de ander, ‘hoe vaak ik al niet aan een stuk heb zitten werken dat uiteindelijk toch niet online kon, omdat er niets aan de hand was.’

‘Frustrerend,’ zei de eerste. ‘Je gaat gewoon hopen dat je nu eens een keer niet voor niets zit te werken.’

De trein doorsneed een typisch Hollands landschap dat recent nog in het nieuws was geweest met beelden van bulldozers die vers gedode varkens in open vrachtwagens kieperden. Pootjes stijf omhoog. Vlees dat niet gegeten zou worden, maar verbrand. Gevaarlijke besmettelijke ziekten waren er dus al, alleen troffen ze nog zelden mensen.

Ook de nieuwsmedia waren kennelijk niet helemaal gezond meer, getuige het feit dat marketingmensen nu ook journalistieke bijdragen mochten schrijven.

Ik moest aan die twee meisjes en hun Ebolaleed denken, toen ik deze week te midden van een roedel bejaarden op het terras zat. Het was de eerste dag van de versoepeling van de Coronamaatregelen en de gesprekken gingen dan ook uitsluitend over vaccineren. De oudsten onder hen hadden uiteraard Pfizer gehad en daar waren ze zo tevreden over dat ze niets meer met mondkapjes en de afstandsregels hadden. Helemaal zeker van hun zaak waren ze kennelijk ook weer niet, want vrijwel alle gesprekken gingen over medische aangelegenheden.

Geheel onverwacht boog een vrouw naast mij, die nogal met consumptie praatte, zich naar me toe en fluisterde in mijn oor: ‘Die man tegenover mij, die mag wat mij betreft wel wat verder naar achteren gaan zitten, want die heeft Astra Zenica gehad en dat beschermt voor geen meter. Zo iemand heb ik eigenlijk liever niet te dicht bij me zitten.’

Posted on Leave a comment

Vergeefs uitleggen

Pieter Bruegel de Oude (uitsnede)


Ik heb niet meer zoveel met de dood. Vroeger lag ik als kerngezonde jongeman soms nachten wakker van het idee dat mijn leven eindig was. Nu ik dichter bij de dood kom of de dood dichter bij mij, begrijp ik dat het einde ruwweg slechts vier scenario’s kent.

1/ Het gaat snel en onverwacht, zoals door een zware hersenbloeding of hartstilstand, nét op het moment dat je midden in de nacht je koelkast opentrekt om te kijken of er nog iets te snaaien of te zuipen valt. Je ligt vanuit volle beweging opeens pats-boem roerloos op de keukenvloer met je dertig kilo overgewicht en alles wat zo mooi tijdelijk leek, is in één enkele handomdraai tijdloos geworden.

2/ Je krijgt een nare, slopende ziekte en je kunt nog minstens drie maanden of een half jaar het middelpunt op social media zijn met dagelijkse verslagen van het leed dat je doorstaat, zoals zovelen dat met verve kunnen doen. Ik vermoed dat ik in zo’n geval zal zwijgen en aan mijn archief zal gaan werken, terwijl ik mij tevens te buiten ga aan drank en pijnstillers, maar ik heb wel eens vaker tegen beter weten in gehandeld, dus ik kan geen garanties geven.

3/ Je wordt zo oud dat je de verstandigste beslissing ooit maakt door je gehoorapparaat uit te zetten, omdat je nog heel veel verhalen te vertellen hebt, maar geen behoefte meer voelt om naar het inhoudsloze geklets van anderen te luisteren. Vermoed je echter, als geoefend rakende liplezer, dat mensen per ongeluk toch een interessante vraag aan je stellen, dan breng je je hand naar je oor en je kijkt die persoon aan met een blik alsof iemand zojuist een ongeschuurd stuk hout in je achterste heeft geschoven. Na al je verhalen honderden keren verteld te hebben, ga je uiteindelijk op een dag ‘s avonds naar bed en word je – zoals de echte Amsterdammer dat zo mooi formuleert – ‘s ochtends dood wakker.

4/ De vierde optie is de hard core versie van de tweede. Je krijgt een nare, slopende ziekte en een aantal millennials in een ziekenhuis, die te veel uit hun eigen pillendoos snoepen, besluit dat je nog best te redden bent en zij laten een shitload tests en behandelingen op je los met alle gifmengerij en invasieve apparatuur die ze maar aan kunnen slepen. Na maanden vreselijke vernederingen te hebben doorstaan, komt dan uiteindelijk toch het rinkelende karretje morfine voorrijden. Lig je dan eenmaal reutelend te sterven op een voor jouw doen veel te lage dosis morfine, dan zeggen je dierbaren: ‘Kan er niet wat aan dat gereutel worden gedaan? Volgens mij heeft hij pijn.’
‘Nee, dat hoort zo,’ zegt de verpleegkundige dan kordaat, ‘dat versnelt het stervensproces.’

Als optie vier je einde wordt, dan kun je de hoogste bergen beklommen hebben, de wildste zeeën bevaren hebben, met filmsterren hebben geneukt, of miljoenen hebben vergaard, maar dan verlaat je het leven als een stotterende orator die struikelend de bühne verlaat. Dan zal elk verhaal wat er over je te vertellen valt, verbleken bij de gefluisterde anekdotes over je laatste dagen. Dan hebben medici jouw laatste voorstelling gestolen en daar bovendien ook nog eens verdomd goed aan verdiend, al klagend over werkdruk en bezuinigingen van de overheid.

Toch verbleekt je eigen dood altijd bij de dood van een goede vriend aan wie je bijvoorbeeld al veertig jaar vergeefs probeerde uit te leggen dat je tijdens zijn werkreis in 1979 echt niet – zoals hij onwrikbaar bleef geloven – met zijn echtgenote hebt geslapen. Dan is die vriend niet alleen dood gegaan, maar ook nog eens gekristalliseerd in zijn eigen waanbeelden en jij staat dan moederziel alleen op zijn begrafenis met zijn onterechte verdachtmakingen te vechten, terwijl je normaal op een begrafenis, eigenlijk zoals ieder ander, hoofdzakelijk aan je eigen sterfelijkheid hoort te denken.

Posted on Leave a comment

Proefkonijn


Als jongen van twaalf jaar ben ik, zonder toestemming van mijn ouders, als proefkonijn gebruikt voor radioactieve tracers die via een lange naald vlak naast mijn balzak in mijn lijf gespoten werden, terwijl specialisten in loden schorten om mij heen stonden en met die naald langs mijn heupgewricht schraapten. Ik was niet plaatselijk verdoofd en ik was ook niet onder narcose. Ik heb deze gebeurtenis eerder in detail beschreven op deze website en het is slechts belangrijk als achtergrondinformatie. Misschien kunt u zich beter in mijn standpunt verplaatsen als ik zeg dat ik niet sta te springen opnieuw een proefkonijn te zijn, maar nu voor gentherapeutische middelen die uit marketingtechnische redenen vaccins genoemd worden, wat ze in de strikte betekenis van het woord niet zijn.

Mijn opstelling hierin heeft mij meteen het predicaat ‘wappie’ bezorgd en daar kan ik op zich mee leven, maar wat ik als lastiger ervaar is de druk die op mij uitgeoefend wordt door mensen die zich kritiekloos hebben laten ‘vaccineren’ omdat dit nu eenmaal ‘in het maatschappelijk belang is’, waarmee dus bovenop het predicaat wappie ook nog eens gesuggereerd wordt dat ik a-sociaal ben.

Laat ik meteen maar melden dat ik, nadat ik een overtollige dosis Astra Zenica van de huisarts heb geweigerd, meteen op schrift heb laten zetten dat ik afzie van behandeling op een IC als daar een Covid-gerelateerde reden toe mocht zijn. Ook beperk ik mijn contacten met anderen tot een minimum en draag ik als een van de weinige mensen altijd een mondkapje. Ik gebruikte al mondkapjes in de tijd dat Van Dissel van RIVM ze nog als ‘mogelijk gevaarlijk’ en ‘schijnveilig’ beschouwde. Een kijk op bescherming van de ademwegen die nu alleen nog populair is in wappiekringen.

Maakt u zich overigens geen zorgen, ik geloof niet in complottheorieën. De hele ideologie van de wappies zegt mij niets. Als de overheid regels stelt, dan hou ik mij daar braaf aan. Zonder te mopperen ben ik als ZZP-er naar de bijstand verkast, omdat ik mijn hoofdberoep niet naar behoren kan uitoefenen. Ik heb ook even in de ToZo-regeling gezeten, maar dan ben je vrijwel full time bezig te corresponderen met overbelaste ambtenaren en aangezien ik mij een half jaar van de AOW-gerechtigde leeftijd bevind, voel ik daar weinig voor. Er is immers ook geen verschil in inkomen tussen de Bijstand en de ToZo-regeling.

Dat ik op mijn twaalfde niet alleen proefkonijn ben geweest, maar in diezelfde kliniek slachtoffer geworden ben van veel meer volstrekt onacceptabele narigheden, van geweld tot en met misbruik, dat heeft niet alleen mijn leven gevormd, maar ook mijn kijk op medici en verpleegkundig personeel, die machteloos stonden toe te kijken en niets durfden te zeggen uit angst voor hun baantje. Veel later pas durfden twee van hen te schrijven dat ze nog lang wakker hadden gelegen van wat mij daar overkomen was. Dit laatste uiteraard pas nadat ze ergens anders werkten.

Vanuit de kennis die we nu hebben, ligt het voor de hand dat de radioactieve tracers voor de nodige fysieke ellende hebben gezorgd. Niet alleen ging ik tijdens die behandeling in shock, maar het gebied waar de naald naar binnen is gegaan is altijd een zwakke plek gebleven. Ik zal u de details besparen.

Ik heb die gegevens van dat medische experiment met tussenpozen geprobeerd op te vragen, maar dat is mij nooit gelukt. Het dossier was steeds zoek en uiteindelijk brandde het archief van die kliniek af. Het enige bewijs wat ik heb is de rekening die mijn ouders in 1967 is toegestuurd, ten behoeve van de verzekering.

De maatschappij die nu van mij vraagt wederom proefkonijn te spelen, heeft mij nooit enige steun geboden, of begrip getoond voor mijn leed. Medici zijn nu eenmaal onkreukbaar en we hebben in dit land geen traditie van verhaal halen bij medisch falen, of wangedrag door verpleegkundigen of masseurs, zoals fysiotherapeuten toen nog heetten.

De mensen die zich nu vrolijk hebben laten vaccineren met argumenten als vrijheid, gemeenschapszin en een lang gezond leven, wil ik er voorzichtig op wijzen dat, wanneer ze op de lange termijn toch negatieve gevolgen ervaren van hun ‘vaccin’, dat er dan geen vangnet zal zijn. Medici zullen altijd een oorzaak buiten de experimentele behandeling vinden die de oorzaak is van uw kwalen. Verwacht van de maatschappij voor wie u uw gezondheid in de waagschaal hebt gelegd, ook niet al te veel. Onze premier heeft het al zo vaak gezegd: ‘Uw gezondheid heeft u zelf in de hand.’

U heeft uw handtekening bij het kruisje gezet en daarmee doet u onbetaald mee aan de grootste klinische trial, die ooit eerder op de wereldbevolking is losgelaten. Maar laten we vooral hopen dat het ‘vaccineren’ u slechts de beloofde voordelen zal opleveren.

Ook ik zal binnen enkele weken, geheel tegen mijn gezonde verstand in, volledig gevaccineerd zijn, eenvoudigweg omdat ik mijn werk zal moeten kunnen uitoefenen, wil ik niet aan andere kwalen ten onder gaan.
 
 

Posted on Leave a comment

La Dolce Vita (1)

Op mijn zestiende verboden mijn ouders me om een weekje met mijn vriendin naar Terschelling op vakantie te gaan. Niet omdat zij daar zelf een bezwaar tegen hadden, maar omdat de conrector van het gymnasium ‘s avonds op de deur had geklopt en mijn ouders vermanend had toegesproken. Er mocht geen sprake zijn van een relatie tussen dat meisje en mij, omdat wij niet uit hetzelfde milieu kwamen. Mijn vader was hoofd personeelszaken bij het plaatselijke waterleidingbedrijf en haar vader was directeur van verzekeringsbedrijf AGO dat later AEGON zou heten.

Het is nu amper nog denkbaar dat kinderen van twee families op zo’n manier van elkaar gescheiden werden, maar in het Leeuwarden van 1971 was dat niet opzienbarend. De familie van mijn vriendin had in verkiezingstijd een VVD-affiche voor het raam hangen en wij eentje van het CDA. De conrector was niet de eerste die bezwaar aantekende tegen onze kalverliefde. Haar vader had ook al een aangetekende brief aan de mijne verstuurd, waarin de man het einde van onze relatie probeerde af te dwingen. Hij was van oorsprong jurist en de brief stond vol met loze dreigementen, zoals het eisen van dwangsommen bij geen gehoor geven aan zijn verzoek.

Later zou hij zijn dochter eerst naar een kostschool in Engeland sturen en toen dat niet niet mocht baten, wilde hij haar ook nog naar een opleiding in Zwitserland sturen. Het zou onze liefde alleen maar spannender maken.

Onze gezinnen leken ook zo op elkaar. Haar moeder was alcoholist en mijn vader ook. Bovendien woonden we zo’n beetje in dezelfde straat.

De beste manier, zo had ik bedacht, om toch naar Terschelling te gaan, was mijn ouders om een Interrailkaart vragen en ze wijs te maken dat ik de wereld wilde verkennen. Met een Interrailkaart konden jongeren in die tijd vier weken voor weinig geld door Europa reizen. Mijn vader was een echte spoorwegfanaat dus ik kreeg nog zakgeld mee ook. Zo kwam het dat ik eerst met de Bergland Expres naar Innsbruck reisde om daar een ansichtkaart naar mijn ouders op de bus te doen en met het hetzelfde treinstel weer terug te reizen naar Nederland, waar ik me uitgeput bij mijn vriendin op Terschelling voegde.

Waarom zo omslachtig, zult u zich afvragen. Nou, mijn moeder was niet alleen behoorlijk helderziend, maar zij had ook nog een feilloze inschatting van de streken die ik zoal kon uithalen om toch mijn zin te krijgen. Haar zwakte lag in een ietwat sentimentele aard. Innsbruck en omgeving, dat was waar mijn ouders op huwelijksreis waren geweest. Die voor haar vast onverwachte zet van mij moest haar wel op het verkeerde been zetten.

Van die vakantie op Terschelling weet ik mij niet veel meer te herinneren dan dat seks, als je maar genoeg joints achter elkaar rookte, ongelooflijk prettig kon zijn. Voor die bewuste week was seks iets geweest dat voor mij behoorlijk ingewikkeld was. Ik kwam sowieso te vroeg klaar en met te vroeg bedoel ik ook letterlijk te vroeg. Ergens halverwege de penetratie. Mijn seksualiteit zou nog bijna een halve eeuw daarna gecompliceerd blijven, maar daar op die camping was er even een gevoel van ontspanning. Met de juiste middelen in mijn bloed was de hele exercitie aanzienlijk minder stressvol.

Na die week moest ik natuurlijk wel nog drie weken door Europa om de nodige vakantiefoto’s te maken en ansichtkaarten te versturen aan de familie in het zuiden van het land. Mijn moeder was heel secuur in dat soort dingen. Ik besloot me er makkelijk vanaf te maken en verstuurde in één keer een drietal kaarten aan iedereen en gaf die af bij de beheerder van een camping in de buurt van Venetië. Hij zou ze de volgende dag nog op de post doen. De kaarten kwamen minstens een half jaar later pas in Nederland aan en daarmee haalde ik mij heel wat verdenkingen op de hals. Was Hansje niet stiekem toch naar Terschelling gegaan?

Een ander probleem was dat ik niet zo goed in de gaten had gehouden wanneer mijn Interrailkaart zou verlopen, dus toen ik verder wilde reizen, was mijn kaart opeens niet meer geldig en mijn geld ook bijna op. Dat ik mij in Venetië bevond was trouwens geen toeval, want ik had in de bioscoop de film Death in Venice gezien van Luchino Visconti. Ik had niet veel van die film begrepen, zelfs niet dat het over de liefde ging die een oudere heer koesterde voor de veel te jonge, blonde Tadzio. Laat staan dat ik opgepikt had dat de oudere man met de naam Aschenbach een componist was die Gustav Mahler moest verbeelden.

Ik had bij het verlaten van de film onbedaarlijk moeten huilen en ik kon op geen enkele manier verklaren waarom, terwijl ik toch een redelijk goedgebekte jongeman was.

Terwijl ik zo doelloos zonder geld door Venetië slenterde, zag ik de ene na de andere parallel met de film. Je hoefde er geen symfonieën van Mahler bij te horen om de dreiging, die toen in Venetië hing, op de huid te voelen. Er lag een immens vliegdekschip voor anker en voor het eerst hoorde ik Amerikaanse toeristen de zwarte militairen op dat schip ‘boy’ en ‘nigger’ noemen.

Er heerste geen pest in Venetië zoals in de film, maar wel lagen overal verspreid door de stad zieltogende, of reeds gestorven katten. Ik sprak een paar woorden Italiaans, maar het werd mij bij navragen niet duidelijk wat de ziekte was waar de katten aan leden. Zichtbaar was dat ze tumoren hadden, dus gaf ik zelf maar een naam aan die ziekte. Builenpest. De sfeer van de film zat er nu goed in en toen een oudere man op het San Marcoplein me uitnodigde om een kop Cappuccino met hem te drinken en hij vervolgens ook nog vertelde dat hij klassiek pianist was, kon ik film en werkelijkheid niet meer van elkaar scheiden. Daar had ik trouwens sowieso minstens tot mijn dertigste ernstig last van, maar nu was ik me er zelfs niet eens echt van bewust.

Het is moeilijk voor te stellen, maar ooit was ik een betrekkelijk onschuldig jongetje.

Als een echte Tadzio zorgde ik dat ik verleidelijk genoeg was, maar ik sloeg zijn uitnodiging om hem te bevredigen af. Kennelijk heb ik dat niet met de juiste overtuiging gedaan, want hij nodigde mij uit om met hem mee te reizen naar Wenen waar hij een optreden zou hebben. Ik wist sowieso niet wat ik moest doen zonder geld, dus ik ben met hem meegegaan. Na een lange tocht in een gehuurde Porsche bleek de bestemming niet Wenen te zijn maar Graz. Daar kwam ik in een soort kruising tussen een conservatorium en een vakantieoord waar het barstte van de Amerikanen en andere toeristen die allemaal dezelfde liefde deelden: klassieke muziek.

De pianist die naar mijn beste weten Johnny Matthis heette, bleek daar met veel anderen afgesproken te hebben. Zo viel hij voortdurend om de nek van allerlei dames met een zwaar Amerikaans accent en stelde hij mij voor aan een Rus van wie beweerde dat het zijn kunstbroeder was. Borovski heette de man. Een bebaarde reus die zo de rol van Tolstoi in een film had kunnen spelen en gebroken Engels sprak. Daar waar ik de Amerikaan makkelijk van mij af kon houden, was de Rus wat vasthoudender. Elke nacht stond hij dronken op mijn deur te bonzen met het verzoek binnengelaten te worden, maar de deur was gelukkig van binnen afsluitbaar en overdag was hij nuchter en een absolute heer.

Langzaamaan begon ik te begrijpen waar het allemaal om draaide in dat conservatorium annex vakantieoord. Rijke Amerikanen, die zich in het thuisland met muziek bezighielden, konden daar voor veel geld overnachten en voor een fikse meerprijs een optreden krijgen in het door hun zo bewonderde Wenen op een niet geringe locatie. Zo ook mijn Amerikaan die tijdens een matineeconcert o.a. ‘Ich ruf zu Dir, Herr Jesu Christ’ van Bach ten gehore zou brengen. Maar voordat het zo ver was, moest er nog het een en een ander gerepeteerd worden. Ik zag mijn veilige positie daar aardig in het geding komen, want ik moest steeds vaker benadrukken tijdens uitjes dat ik geen geld had en Borovski’s acties ‘s nachts werden steeds vervelender. Ik klaagde daar over en Matthis zei: ‘Maar wat doe je hier dan? Je kunt toch weg wanneer je wilt.’

‘Ja, maar ik wil piano leren spelen,’ loog ik.

Dat was een van de meest onhandige leugens die ik had kunnen bedenken, want nu zat ik elke dag een uur lang met mijn pianist achter een witte vleugel, terwijl hij voortdurend mijn handen masseerde door ze in zijn kruis te drukken, terwijl hij me hijgerig aankeek. Ik wist dat ik daar weg moest, maar ik had, onervaren als ik was, geen idee hoe je zonder geld weer thuiskwam. Ja, liften, zoals dat in die tijd gangbaar was, maar hoe moest ik dan eten?

Terwijl ik al die beslissingen voor me uit zat te schuiven en ruim gefêteerd werd door de pianist, brak ook de dag aan van het matineeconcert. Ik leefde in de waan dat ik daar niet bij hoefde te zijn, maar ik werd naar het centrum van Wenen gereden. Daar kreeg ik een soort smoking en even later zat ik op de eerste rij met naast mij een meisje van mijn leeftijd dat ik nooit eerder had gezien. Tot op die dag had ik alleen ouderen gezien en ik vraag me nog steeds af waar ze haar toen vandaan hebben gehaald. Ook zij kwam uit Texas, Tennessee of een ander oord in het zuiden van de VS. Ze wilde amper een woord met me wisselen, maar week geen moment van mijn zijde. Ook werd zij voortdurend aan bezoekers voorgesteld als mijn ‘girl friend’.

Hoogtepunt of dieptepunt van het optreden was het moment dat mijn pianist tijdens een korte pauze opstond en als een ware salonjonker een diepe buiging maakte en uitriep: ‘Ich ruf zu Dir, Mein Herr!’, terwijl hij verlekkerde blikken in mijn richting wierp.

Dat was de druppel. In de receptie die op het concert volgde stortte ik mij bijna in de armen van een oudere Amerikaanse dame, van wie ik vond dat ze sprekend op Bianca Castafiore uit Kuifje leek. Voor wie Kuifje niet paraat heeft, dat was een dikke operazangeres die graag in de spiegel keek en daarbij: ‘Ha, ik lach bij het zien van mijn schoonheid in deez’ spiegel’ zong.

Ze had regelmatig even verlekkerd naar mij gekeken als mijn pianist, maar zij leek mij aanzienlijk minder gevaarlijk. Ik trok een pruillipje en vertelde haar dat ik honger had, in de hoop dat zij me uit het gezelschap zou bevrijden en mij uit eten zou nemen. Tot mijn stomme verbazing lukte dat. Ze nam mij mee naar een bijzonder chic restaurant en daar zaten we dan, ik opgelucht dat ik me van de pianist en Borovski had bevrijd en zij helemaal blij met mijn aandacht.

Toen de ober met de rekening kwam, legde hij die bij mij neer, maar ik wees inmiddels geroutineerd naar haar. Zij schoof de rekening echter terug naar mij en keek mij uitdagend aan. Ik wist nu echt niet hoe ik moest reageren en vluchtte naar het toilet. Na een minuut of wat daar gezeten te hebben, besloot ik dat er een einde moest komen aan die hele klaploperij en sloeg ik een ruit stuk in de toiletruimte en vluchtte via een pleintje achter het restaurant Wenen in.

(Wordt vervolgd)

Posted on Leave a comment

De eigen waarheid

Ik was op bezoek bij een kunstenaar die zich zorgen maakte over de vele complottheorieën die circuleren. Zo halverwege het gesprek begreep ik dat hij ook simpele feitelijke onjuistheden als complottheorieën bestempelde. Daarmee impliceerde hij dat elke feitelijke onjuistheid een complot is. Dat was ook het moment waarop ik mij zachtjes aan hem begon te ergeren. Ik realiseerde mij dat ik, zijn gedachtelijn volgend, eigenlijk alles wat hij over zijn visie op kunst had gedeeld, dus ook een complottheorie genoemd mocht worden, omdat zoveel daarvan in de dertig jaar dat ik hem gekend had, op feitelijke onjuistheden gebaseerd was. Je hoefde maar twee of drie subsidie-aanvragen van hem uit de kast te trekken om dat met harde bewijzen te onderbouwen.

Zo had de kunstenaar in vrijwel elke aanvraag opgenomen dat werkeloze jongeren in zijn projecten ook een plek konden krijgen om werkervaring op te doen en hij naderde nu de tachtig en ik kon mij niet herinneren dat hij, in de halve eeuw dat hij kunstenaar was, ook maar één enkele jongere aan werkervaring had geholpen. Hij zou dat privé ook ruiterlijk toegeven, maar hij begreep tegelijkertijd donders goed dat zo’n wortel voor de neus onweerstaanbaar is voor de subsidieverstrekker.

Een belangrijke reden om iets als onwaarheid te bestempelen, is namelijk dat het andermans onwaarheid betreft. Dat begrijpen wij allemaal. Ons eigen gelijk is heilig en dat van een ander natuurlijk wat minder. Dat gaat voor vrijwel alle mensen op. We worden nu eenmaal niet graag voor dom versleten.

Ik kom eerlijk gezegd nooit mensen tegen die denken dat de aarde plat is en ik heb ook geen kennissen die denken dat Hillary Clinton een seksnetwerk voor pedofielen runt vanuit een pizzazaak, maar als ik die mensen wel zou kennen, dan zou ik ze hun eigen waarheid gunnen. Zo ken ik een ambtenaar bij de gemeente Amsterdam die oprecht gelooft dat we de Wallen moeten opschonen om mensenhandel de wereld uit te helpen. Het is een kijk op zaken die vrij makkelijk met feiten te weerleggen is, maar als dat nu eenmaal de consensus is geworden voor een aantal mensen, dan laat je ze gewoon lekker doorlullen.

Want als we mensen hun eigen waarheid niet meer kunnen gunnen, dan hebben we een Waarheidspolitie nodig die iedereen met afwijkende ideeën streng beboet en dat is logistiek alleen haalbaar door ruime digitale mogelijkheden te creëren, waarmee mensen elkaar kunnen verlinken. Iedereen kletst namelijk wel eens uit zijn of haar nek. Het is onmogelijk om op alle fronten even goed geïnformeerd te zijn. Zij die dat wel pretenderen te zijn, lijden aan zelfoverschatting.

Daar komt nog bij dat de waarheid van vandaag nog niet meteen de waarheid van morgen hoeft te zijn. Draait de aarde om de zon, of draait de zon om de aarde? In het verleden zijn voor het ‘verkeerde antwoord’ op die vraag, mensen op beestachtige wijze geëxecuteerd.

Natuurlijk erger ik mij ook aan mensen die anderen in gevaar brengen door een gedachtegoed dat kant noch wal raakt, zoals nu met Covid-19, maar het alternatief is die Waarheidspolitie. Ik ben op een leeftijd gekomen dat ik de complexiteit van het leven goed doorleefd heb, dus ik durf niets meer met zekerheid te stellen, maar de Waarheidspolitie lijkt me een slecht idee, want die moet dan weer aangestuurd worden door mensen die over de meeste macht beschikken en dat zijn over het algemeen ideologisch gezien niet de meest betrouwbare lieden.

President Trump heeft indertijd geprobeerd om – met enig succes – een eenpersoons Waarheidspolitie te vormen. Door bij alles, waar of onwaar, ‘fake news’ te brullen heeft hij een grote schare volgelingen gecreëerd die je vrijwel alles wijs kunt maken, als het maar ter meerdere eer en glorie van Trump is, of op zijn minst diens belangen dient.

In ons eigen land hebben we politieke partijen die, ondanks de scheiding tussen kerk en staat, geloven in een witte man met een baard die over water kon lopen, terminale zieken met handoplegging genas, water in wijn liet veranderen (!) om vervolgens gekruisigd te worden om drie dagen later weer levend rond te lopen. Is dat nu zo veel gekker dan het pedonetwerk van Hillary Clinton?

We gunnen die politici dat en ze doen geen vlieg kwaad in de Tweede Kamer.

Posted on 2 Comments

Chef Handwerk

Ooit was ik Chef Handwerk. Daarmee breek ik even mijn verhaallijn, want in een aantal stukken hier spreek ik over mijn eerste baan als fotograaf voor Nieuwe Revu. Voor mijn gevoel klopt dat ook wel, want ik voelde mij zeer verbonden aan de Geïllustreerde Pers, de toenmalige uitgever van het tijdschrift, maar er gingen uiteraard nogal wat baantjes aan vooraf.

Zo was ik dus o.a. Chef Handwerk bij de UFAC. Als je die functie voluit hardop uitspreekt, dan kun je aan de dubbelzinnigheid helemaal niet meer ontkomen.

UFAC stond voor Utrechtse Foto Afdruk Centrale. Het bedrijf werd gerund door een oude man en zijn zoon. De meeste foto’s waren indertijd namelijk nog zwart-wit en het grootste deel van het personeel zat in het donker negatieven af te drukken achter machines die het meest leken op uit de kluiten gewassen naaimachines. Het papier werd aan de rol aangeleverd en dan schoof je een negatief onder het enige, kleine lichtpunt en dan kon je kiezen uit vijf toetsen die stonden voor het contrast van de afdruk. 1 stond voor het laagste contrast, 5 voor het hoogste contrast. De belichtingstijd werd verder automatisch geregeld. Je koos een knop en met je voet drukte je vervolgens op een pedaal en dan schoof je het volgende negatief onder het lampje.

Een kind kon de was doen, maar er was één klein probleem. De op die manier tot stand gekomen foto’s moesten in de helverlichte gang door de oude eigenaar beoordeeld worden. De man leefde in voortdurende ontkenning van het feit dat hij staar had, dus foto’s die een hoog contrast hadden, keurde hij meteen goed en foto’s met een normaal contrast werden steevast afgekeurd.

Waar je ook op deze godvergeten planeet rondloopt, je zult altijd mensen aantreffen die zelfs de meest geestdodende activiteiten met het grootst mogelijke verantwoordelijkheidsgevoel uitoefenen. Zo was er een vrouw op onze afdeling die zonder meer de mooiste afdrukken maakte, maar haar werk werd uiteraard steeds afgewezen. We hoorden haar dan even snikken, maar vervolgens plaatste ze een nieuwe rol in de machine en met een beetje geluk werd de nieuwe reeks afdrukken beoordeeld door de zoon van de baas. Meestal was dat ook wel zo, want de ‘overmakertjes’ deed je natuurlijk niet in de baas zijn tijd, maar na vijven en dan was de ouwe allang naar huis en dan beoordeelde zijn zoon, met twee gezonde ogen, het werk. Zo kwam ze dan toch, met veel onbetaalde overuren, nog door haar niet geringe werklast heen.

Zelf heb ik dat probleem nooit gehad. Na de eerste ervaring met de kwaliteitscontrole van de oude eigenaaar, drukte ik alles gewoon af met knop vijf, want dan vond hij ze prachtig en liep ik een keer tegen de jonge aan, dan zei hij hooguit: ‘Nou, misschien de volgende keer een tikje minder contrast.’

‘Komt in orde, baas!’ riep ik dan vrolijk en plaatste de volgende rol. Ik ben nu eenmaal een pragmaticus.

Zo kwam het dat ik snel carrière maakte binnen het bedrijf. Op een ochtend werd ik door de ouwe in zijn kamertje geroepen en hij vertelde me dat ik mezelf vanaf nu Chef Handwerk mocht noemen. Dat betekende in de praktijk dat ik een aparte donkere kamer tot mijn beschikking kreeg die ik moest delen met Assistent Handwerk.

Wij hadden een aanzienlijk minder zware werkdruk, want in die tijd vonden mensen het al wild als een foto niet op 9×12 centimeter werd afgedrukt, maar op het imposante formaat WPK, oftewel Wereld Postkaart. Ik ben vergeten wat de exacte maten van een WPK waren, maar ik neem aan 10×15 centimeter, en ook die foto’s werden op de rol geprint.

Bij die donkere kamer moet u zich trouwens niet te veel voorstellen. De ruimte had ongeveer de grootte van een badkamer in een rijtjeshuis. De Assistent en ik konden vrijwel geen handelingen verrichten zonder elkaar aan te raken. Daarnaast was de Assistent, die zijn pensioen naderde, qua hygiene nog echt ‘old school’. Hij ging er prat op dat hij uitsluitend op zaterdag onder de kraan ging en hij sloeg ook wel eens een weekje over. De doka had geen airco, dus zijn lucht in combinatie met de geur van de toen gangbare chemicaliën was gruwelijk. Op den duur wende je eraan, maar waar ik in het geheel niet aan kon wennen was het eeuwige gemompel van mijn Assistent.

U moet weten dat in die tijd de eerste gastarbeiders in Nederland lang genoeg hier werkten om zich te kunnen permitteren eenmaal per jaar terug naar het thuisland te gaan voor vakantie. Ze namen dan een goedkope camera mee en zetten daarmee de hele familie op de groepsfoto. Meestal voor de zekerheid buiten in de knallende zon. Die camera’s hadden dan de keuze tussen een schaduw, een wolkje en een zonnetje voor de belichting. Helaas was het zonnetje in het land waar de camera’s gemaakt werden heel wat minder fel dan de zon in Noord-Afrika, die ook nog eens weerspiegeld werd door woestijnzand.

Keek je tegen de olijfgroene dokalamp naar zo’n negatief, dan zag je hoofdzakelijk zwart met een paar lichte stipjes. Dat betekende in de praktijd dat zo’n negatief, om redelijk afgedrukt te worden, belichtingstijden van meer dan drie of vier minuten nodig had. Hoe groter het formaat, des te langer de belichtingstijd. Dat kon oplopen tot een kwartier per afdruk.

Hij was waarschijnlijk een van de eerste Nederlanders die – in deze tijd – extreem rechts genoemd zou worden, dus al bij het zien van een naam als Ali of Mahmut op de werkenvelop had hij de schurft in. En daarna begon het gemompel tijdens het belichten: ‘Kom, godverdomme! Kom! Kom, godverdomme, kom!’ Dat was zijn manier om het einde van de belichting, bepaald door een Agfa Variomat, af te wachten.

Hoor dat maar eens een middagje aan. Ik voelde een diepe weerzin naar die man. Dat was geheel wederzijds, want hij kreeg als Assistent alleen dat soort negatieven, terwijl ik als Chef hoofdzakelijk het werk voor het Utrechts Nieuwsblad leverde en natuurlijk dat van een enkeling die grote foto’s ontdekt had, zoals de wat oudere echtgenoot van Martine Bijl, die door zijn leeftijd begrepen had dat alles wat jong en fris is, nu eenmaal niet eeuwig zo blijft, wat hem kennelijk motiveerde om Martine vrij regelmatig schaars of in het geheel niet gekleed op de gevoelige plaat te zetten.

Als Chef Handwerk behang je daar de muren van je donkere kamer mee, maar je komt nooit in de verleiding het materiaal aan de hoogstbiedende te verkopen.

Het noodlot trof ons uiteindelijk in twee etappes. Op een maandagochtend kwamen mannen met overalls de machines van het amateurwerk lichtdicht maken. Mensen die twintig jaar of langer met elkaar in pais en vree in het donker hadden zitten werken, kwamen nu opeens onder bakken met neonlicht te zitten. Het ene na het andere conflict brak uit. Het was kennelijk toch een andere ervaring als je bij iemands woorden ook een gezichtsuitdrukking kon zien. Twee collega’s, die al jaren een geheime relatie met elkaar hadden, verbraken hun romance wat resulteerde in het vrijwillige ontslag van de een.

In de donkere kamer werden de baden waarin de afdrukken ontwikkeld en gefixeerd werden vervangen door een gleuf in de muur waar we het vel papier na belichting in schoven. Ik zeg het simpeler dan het was. Achter die gleuf bevond zich uiteraard een state of the art ontwikkelmachine. Het apparaat verspreidde penetrante geuren die via een slang weer teruggeleid werden naar de donkere kamer. Dit laatste om de directeur en zijn zoon, die in de aangrenzende ruimte werkten, niet in de giftige dampen te zetten.

Ik kreeg al snel jeuk en eczeem op de meest onverwachte plekken. Oudere collega’s noemden dat ‘de dokaziekte’.

Voordat ik me echter definitief ziek kon gaan melden, kwam er een onverwacht bezoek van de Arbeidsinspectie. Dat kon in die tijd nog zo maar gebeuren. Het kwaadaardig ondernemen was nog niet tot religie verheven en werknemers hadden nog rechten, ook als ze niet voor de overheid werkten. Ja, ik weet het, truth is stranger than fiction.

Ik mocht niet meer terug naar de UFAC en ik werd voorgeleid aan een commissie van wijze, oude socialisten met een achtergrond in het vakbondswerk. Zij concludeerden in een walm van sigaren- en sigarettenrook dat mijn werkomstandigheden ongezond waren en dat ik recht had op een werkeloosheidsuitkering die 24% hoger lag dan mijn laatstverdiende salaris. Daarmee werd duidelijk dat ik ook nog eens onderbetaald was voor mijn werkzaamheden. Dat werd ook bevestigd. Ik ontving een cheque van de gemeente waarmee het deel dat de werkgever gekort had op mijn salaris alsnog met terugwerkende kracht werd uitbetaald.

Zelden heb ik mij zo rijk gevoeld.