Posted on Leave a comment

Evenwijdige lijnen

Iedereen zal zijn eigen stokpaardjes berijden, wanneer hij of zij zich in het open riool van social media begeeft. Ik ben daar geen uitzondering op. Ik verdenk mezelf ervan dat ik social media alleen tot mij neem wanneer ik zin heb om me eens stevig te ergeren. Aan het einde van een uurtje doelloos scrollen moet ik steeds weer tot de conclusie komen dat mijn eigen meningen waarschijnlijk ongeveer net zo beperkt zijn als die van anderen en dat brengt dan toch wat rust in mijn hoofd.

Terwijl ik dit noteer, adviseert mijn in Gutenberg ingebouwde Grammar Fascist dat ik tot de conclusie komen beter niet kan gebruiken omdat het stilistisch niet zo mooi is. Na lang nadenken bedacht hebben, dat zou beter zijn. Die regels code die samen een soort kunstmatige intelligentie vormen en mij ongevraagd van taaladvies voorzien, die weten meer van stijl dan ik. Het zou arrogant van mij zijn om te denken dat die ook veel fouten maken, want dan zeg ik indirect dat de wetenschappers die het programma geschreven hebben weinig van taal of stijl hebben begrepen. Ik moet in deze barre tijden, althans dat lees ik vrijwel overal, vooral aan de kant van de wetenschap staan.

Er wordt veel gehoorzaamheid gevraagd van de moderne mens en dat brengt mij terug naar een boswandeling met pater Austriclinianus Klaver OFM en zijn hond Scotus, vernoemd naar de vermaarde theoloog en filosoof.

Het moet ergens in 1974 zijn geweest. ‘Pater, waarom is het toch zo dat gymnasium alfa in lager aanzien staat dan gymnasium bèta?’ vroeg ik hem.

‘Tja, dat is zo gegroeid,’ zei pater Austriclinanus, terwijl hij een stok ver van zich afwierp om de moddervette Scotus tot wat beweging te dwingen.

‘Dat snap ik niet,’ antwoordde ik, ‘door talen verdiep je jezelf immers ook in andere culturen en leer je, of probeer je althans, dat wat ogenschijnlijk vreemd of anders is te doorgronden en uiteindelijk te begrijpen. Die exacte vakken zijn vooral leervakken gebaseerd op voorgebakken wetten. Noem ze rekenvoorbeelden waar je in moet gelóven, anders kom je niet verder. Je moet eigenlijk een behoorlijk dociele natuur hebben om met dat abstracte denken uit de voeten te kunnen.’

‘Gelóven?’ Austriclinianus klonk geïrriteerd. Hij was toch theoloog en je moest bij hem niet aankomen met een uitspraak dat exacte vakken iets met religie van doen zouden hebben.

Ik had gelukkig een voorbeeld paraat: ‘Gisteren werd het axioma besproken dat zegt dat twee evenwijdige lijnen elkaar snijden in het oneindige en toen dacht ik even hardop en zei ik dat het snijden in het oneindige van die twee lijnen wel het best denkbare bewijs was dat die lijnen toch niet zo evenwijdig waren als ze in eerste instantie leken te zijn.’

‘Nou?’

‘Toen werd ik de klas uitgestuurd.’

Hij keek me even bezorgd aan. Hij had hoge verwachtingen van mij en de klas uitgestuurd worden verstoorde dat beeld.

Koppig als ik ook toen al was ging ik voort met mijn betoog. ‘Als het van buiten leren en voor zoete koek aannemen van rekenmodellen, wat toch vooral een passieve activiteit is, in hoger aanzien staat dan je tot het uiterste verdiepen in onze geschiedenis en andere culturen, dan zegt dat iets over wat er later in de maatschappij van onze generatie verwacht gaat worden.’

‘Dat zie ik niet meteen zo voor me,’ zei Austriclinianus. Hij had zich verheugd op leuke gesprekken over theologie, zoals we die wel vaker voerden. Over dat god, hemel en hel waarschijnlijk niet bestaan, maar dat ze mensen, die niet al te stabiel van geest zijn, wel veel steun en begeleiding bieden in het dagelijks leven. Dat soort onderwerpen.

‘Nou, volgens mij heeft de maatschappij meer behoefte aan mensen die gehoorzaam uitvoeren wat door anderen al bedacht is, dan mensen die een onderzoekende en kritische natuur hebben.’

Nu moest hij eindelijk weer eens lachen. ‘Ja, daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben. Maar is dat niet altijd zo geweest?’

‘Dat zou ik niet weten, pater, maar we weten allebei dat de katholieke kerk er groot mee is geworden.’

Pas veel later zou ik leren dat het axioma in ons meetkundeboek een verkeerd inzicht gaf of verkeerd geformuleerd was. Twee evenwijdige lijnen snijden elkaar niet. Dat wist men al in de late Middeleeuwen.

Pater Austriclinianus Klaver OFM is inmiddels dood, vermoed ik zo. Dus hem kan ik het niet meer vragen, maar stond ik nu aan de kant van de wetenschap toen ik de klas uitgestuurd werd? Of was ik gewoon ongehoorzaam? Of had ik in de woorden van de premier gewoon effe normaal moeten doen?

Die maatschappij van gehoorzame geesten is er overigens wel gekomen. Dat had ik toch goed voorzien met mijn zestien jaar oude warhoofd.

Posted on Leave a comment

E-books

Ergens rond de eeuwwisseling hadden mijn toenmalige zakenpartner en ik wilde plannen met e-books. Zij was wat enthousiaster dan ik. Dat kwam niet omdat ik geen glorieuze toekomst zag voor e-books, maar omdat ik al voorloper was sinds 1994 op het vlak van digitale projecten die met literatuur te maken hadden. Mijn grootste bezwaar was dat ik al te veel werk had. Werk waar ik eigenlijk geen zin meer in had. Zo leverden de auteurs van mijn digitale uitgave ‘de Opkamer’ vaak nog aan op papier, in plaats van op een floppy of per e-mail. Ik werd een soort productie-assistent van mijn eigen projecten. Ik legde mijn compagnon uit hoe Word op een Windowsmachine werkte, ik loste alle technische probleempjes op en wilde ik daar af en toe het een en ander over kwijt bij de redactie, dan klonk echter het terugkerende verwijt: ‘Hans praat weer eens Chinees.’

Dat ging snel vervelen.

Het samenwerken met de in typemachines denkende medemens werd een steeds grotere belasting voor me en uiteindelijk werkte ik zo’n beetje iedereen mijn wereldje uit en ik stortte mij op het ene na het andere soloproject, blij als ik was dat ik even niets meer hoefde ‘uit te leggen’ aan mensen die vastbesloten waren niets te absorberen van wat ik te melden had.

Ik werd al vanwege mijn activiteiten op het web geminacht door mijn eigen uitgever die geen toekomst zag in Internet. Zelfs bij de Rabobank werd ik op daverende lachsalvo’s getrakteerd toen ik in 1996 tienduizend gulden wilde lenen voor het opzetten van een bedrijfje dat mensen de mogelijkheden bood om hun data veilig op te slaan op een externe server. Ik was op dat idee gekomen omdat Windows 95 niet het meest stabiele besturingssysteem was. Veel gegevens gingen in die tijd door crashes, en een slecht of afwezig back-upbeleid, simpelweg verloren.

Nadat hij uitgelachen was keek de account manager van de Rabobank me met waterige ogen aan en zei: ‘U denkt toch niet serieus dat mensen écht zo naïef zijn dat ze hun persoonlijke gegevens op een server van derden gaan opslaan?’

Ik had zin om het nog eens opnieuw uit te leggen, maar ik was het uitleggen zo zat. Jaren later zag ik met lede ogen Dropbox, iCloud, WeTransfer en vele anderen verschijnen.

Ik praat nu over lang vervlogen tijden en inmiddels heb ik mijn AOW-papieren binnen. Hoewel ik dat niet van mezelf gedacht zou hebben, zette die pensioengerechtigde leeftijd allerlei gedachten in gang. Eén daarvan was dat ik mijn zoon niet met een onoverzichtelijk groot archief op wou zadelen, zoals ik ooit opgezadeld werd bij het overlijden van mijn vader met zo’n 6000 modelspoortreintjes. De lieve man had een aangekondigde dood in de vorm van longkanker, maar in de zes maanden dat hij nog te leven had, was hij vooral bezig geweest met zich neerleggen bij zijn lot en aan dingen regelen is hij niet toegekomen. Niet dat ik hem dat ooit echt kwalijk heb genomen, maar zelf zou ik het anders willen doen.

Mijn zoon gaf laatst aan dat hij na mijn dood graag deze website zou willen blijven onderhouden. Het is niet zozeer dat we graag op de feiten vooruitlopen, maar we hebben toch ook wel in ons achterhoofd dat mijn vader, zijn grootvader, slechts enkele maanden van zijn pensioen heeft kunnen genieten. De pensioengerechtigde leeftijd was toen 65 jaar en op mijn leeftijd nu was hij al overleden.

Voor mijn foto-archief heb ik al jaren een oplossing, maar na 1993, toen de roman Nette mensen in een nieuwe tijd verscheen bij L.J. Veen verscheen, heb ik relatief weinig gepubliceerd. Het laatste korte verhaal dat ik op verzoek inleverde was voor het zomernummer van Propria Cures. (2020)

Wel ben ik al die decennia als een bezetene door blijven schrijven in mijn ‘vrije tijd’ en een aantal van die teksten is op mijn blog geplaatst, maar de meeste teksten, vooral de (nog) langere, staan voor een deel in archiefdozen en voor een ander deel op harde schijven. Eigenlijk vind ik dat de vruchten van die inspanningen wel bewaard mogen blijven, zo lang ze maar geen fysieke ruimte innemen. Zo kwam het dat ik op regenachtige dinsdagmiddag een aantal van die teksten in e-books begon te gieten, gebruik makend van Adobe’s InDesign. Omdat de teksten vaak beeld bevatten en heel soms ook handschriften van mensen die vele malen belangrijker zijn dan ik, leek me Pdf het beste formaat.

Ik ging er zelfs in mijn achteloosheid vanuit dat dit ook een ideaal formaat voor e-books zou zijn. Waar ik geen rekening mee had gehouden, of wilde houden, is dat veel mensen graag een Kindle gebruiken. Die apparaatjes van monopolist Amazon kosten vrijwel niets vergeleken met tablets, smartphones en laptops, maar ze hebben uiteraard wel hun eigen bestandsformaten.

Dus ik ging me weer eens verdiepen in techniek, iets wat ik eigenlijk een beetje afgezworen heb, want al sinds het brede gebruik van smartphones, ben ik mijn interesse in techniek een beetje kwijtgeraakt. Ik denk veel na over smartphones, maar dan meer in betrekking tot de sociale en maatschappelijke gevolgen van die uitvinding.

Al snel kwam ik erachter dat er niet veel veranderd is in de techniek van het produceren van e-books. Het Epub-formaat, gebaseerd op HTML, is nog steeds marktleider en dat is een formaat dat zo vloeibaar is dat het in mijn ogen niet echt optimaal is voor het leveren van tekst in combinatie met beeld en vormgeving. Heel geschikt als je een e-book ook echt via allerlei platformen te koop wilt aanbieden en dat is wat mijn zoon het liefst zou zien. Niet uit eigenbelang, want hij is veel geslaagder dan ik in het vergaren van inkomen, maar hij gunt mij wat financiële ruimte, want ik heb als creatief, een goed deel van mijn leven eigenlijk vrijwel voor niets gewerkt.

Dus ga ik me maar weer eens verdiepen in Epub. Eigenlijk een beetje tegen mijn zin in, want ik geloof niet meer in distributie via grote, vaak Amerikaanse bedrijven. Ze hebben zoveel regeltjes, voortkomend uit het zeer preutse en bekrompen Amerikaanse denken, dat vrijheden zeer aan banden worden gelegd. Er is in mijn werk altijd wel iets wat niet aan hun Terms of Service voldoet, of wat een betaalsysteem tegen de haren instrijkt.

Ondertussen zal er dus af en toe ongetwijfeld alvast wat in Pdf-formaat verschijnen op mijn pagina Downloads. Als ik de keuze moet maken tussen mijn werk censureren (vooral illustratieve fotografie) en de paar kwartjes die zij mij gaan toewerpen, dan hoef ik eigenlijk niet zo lang na te denken.

Posted on Leave a comment

Kappersnicht met een camera

De vrouw die ik om twee uur ‘s middags zou fotograferen, noemde zich burlesque performer.

Als studiofotograaf ontkom ik er niet aan om te rubriceren en te generaliseren. Wie in het grote, donkere bos zijn roofdieren niet kent, wordt onherroepelijk opgegeten. Burlesque performers in het amateurcircuit zijn meestal vrouwen die zich ‘niet gezien’ voelen en dat vervolgens even op het podium van een verenigingsgebouw gaan rechtzetten. Als u daar de schoonheid niet van inziet, dan begrijpt u de dieptragische, maar wonderschone esthetiek van het echte leven nog niet helemaal.

Het publiek bestaat goeddeels uit stampende, fluitende en joelende dames. Meestal zien ze zichzelf als feminist van de een of andere golf of richting. Het is kennelijk een complexe levensfilosofie. Ga je met zo iemand een gesprek aan, dan zijn de grenzen van dat gesprek van tevoren al keurig afgebakend, waarbij genoteerd moet worden dat zwijgen en veel jaknikken altijd een opening biedt. Keihard verbaal in de aanval gaan op alle fronten, dat levert vaak de beste resultaten op, maar dan zit je wel opgescheept met de bewondering van een vrouw die je hele soort naar de verdoemenis wenst. Voordat je het weet zit je te zoeken op trefwoorden als ‘bipolair’ en ‘borderliner’.

Meestal zoek ik mijn modellen niet zelf uit, want ik hou van verrassingen m/v. Van de burlesque performer die nu binnen kwam lopen had ik echter wel degelijk een profielfoto op social media gezien. Alleen het hoofd, een prettig rond gezicht met daarop een grappig hoedje. Ik heb een zwak voor hoedjes, dus ik riep naar mijn assistent: ‘Yes! Doe die maar!’ Let op, ik wist dat ramen en deuren gesloten waren, want zo’n overenthousiaste uitroep kan in mijn beroep zo maar het einde van een serieuze carrière betekenen.

Daarmee komen we meteen ook op het belangrijkste nut van een assistent. Je moet een getuige hebben in dit werk. Al was het alleen maar om te voorkomen dat iemand die de rekening niet kan betalen je, om het incassobureau te ontlopen, aanklaagt wegens grensoverschrijdend gedrag. De assistent moet dan ook, vaak in tegenstelling tot de fotograaf zelf, geheel geloofwaardig en van onbesproken gedrag zijn. Grote, blauwe, onschuldige ogen zijn een pre.

De burlesque performer was kleiner dan ik had gedacht en haar ogen straalden nu vooral ergernis uit en dat terwijl ze toch zo mild en vol zelfvertrouwen naar haar iPhone had gekeken op de profielfoto. Nu ze zo voor me zat begreep ik ook dat ze wel degelijk een normale hals had. Op de foto werd een andere indruk gewekt. Ik had niet gezien dat ze over ongekend grote borsten beschikte, die zo hoog opgesjord waren dat haar kin soms de rondingen raakte.

Als regel praat ik aan het begin van een fotosessie oeverloos over mezelf – ik hoor mezelf nu eenmaal graag praten – terwijl ik observeer welke anekdotes goed vallen en welke verkeerd. Op die manier kan ik een vluchtige karakterschets maken, want dat is essentieel in mijn werk. Met deze laat in mijn carrière ontdekte aanpak, hoef ik ook in het geheel niet meer naar het model te luisteren, want dat wordt echt te belastend als je dit vak al veertig jaar uitoefent. Mensen voelen zich nu eenmaal vervreemd in een fotostudio en daardoor meteen onthecht genoeg om alles eruit te kieperen. Van de voetschimmel van de partner tot en met de nieuwe hartklep van grootvader. Om je werk met overgave te doen is het zaak ze niet te lang aan het woord te laten.

Ik ben een kappersnicht met een camera, zeg ik vaak.

Nu stelde ik echter braaf vragen. Ze studeerde iets met gender erin en ze was razend omdat ze net bij uitgeverij Prometheus vandaan kwam en daar was haar tweede roman afgewezen. Ik had nu echt met haar te doen. Ik ben nooit echt een vriendje van Mai Spijkers geweest, maar één ding wist ik zeker en dat was dat hij deze auteur overduidelijk nog niet had gezien. Anders had haar werk op dat moment al zo ruim verspreid in de boekhandels gelegen dat een tocht naar de top tien van best verkochte boeken geen strobreed meer in de weg gelegd kon worden. Desnoods had hij haar werk laten herschrijven.

‘Wil je dat ik Mai even bel?’ vroeg ik vaderlijk.

‘Ach, die man bemoeit zich al eeuwen niet meer met die uitgeverij. Ik had een gesprek met een redacteur.’

Kennelijk was ik weer eens de oude man die niet op de hoogte was van actuele zaken. Ik sloeg een zo mogelijk nog voorzichtiger toon aan: ‘Maar waarom hebben ze je roman dan afgewezen?’

Er kwam geen antwoord.

‘Ze moeten toch een reden hebben gegeven, ze kunnen toch niet zo maar iets afwijzen,’ zei ik, inmiddels bijna boos vanwege het onrecht dat ‘mijn model’ kennelijk was aangedaan. Ze moet mijn oprechte solidariteit gevoeld hebben, want opeens kwam het eruit, met zichtbare pijn.

‘Ze hadden al een hoerenboek!’

‘Wàt?!’ Mijn verontwaardiging was niet gespeeld. Ik heb namelijk in mijn vrije tijd ervaring opgedaan met hoe het voelt als je met je romanpersonage vereenzelvigd wordt.

‘Ja, zo zei hij dat, recht in mijn gezicht. We hebben al een hoerenboek voor het najaar. Hoerenboek, zei hij! Over mijn roman! Hoerenboek!’

Het kwam niet meer goed, die middag. Ik maakte driehonderd foto’s, zocht er 18 uit en bewerkte die grondig. Drie meer dan de meeste modellen krijgen. Alles om haar geschaafde ego te helen, maar de werken werden zonder uitzondering door haar afgekeurd. Dat was me nog niet eerder overkomen. Men neemt toch altijd op z’n minst een paar foto’s af. Al was het maar om anderen te kunnen laten zien wat een fiasco het was.

Tegen mijn assistent zei ik: ‘Het zal toch goddomme niet zo zijn dat ze in uitgeversland stiekem weer uitsluitend serieuze literatuur zijn gaan uitgeven, terwijl ik al die jaren een beetje doelloos over het Internet zwierf en al mijn geld uitgaf aan server hosting en software?’

‘Je weet het nooit,’ zei mijn assistent. ‘Misschien moet je dat andere hoerenboek van Prometheus eens lezen.’

[eerder gepubliceerd in zomernummer Propia Cures 2020]

Posted on Leave a comment

NORDEN

Wat wel leerzaam was aan het jaartje redactie voor het tijdschrift OpNieuw, is dat ik mij weer moest inwerken op een pagina-opmaaksysteem. Het laatste programma waar ik mee gewerkt had was Ventura Publisher en daarbij had ik ook nog eens de hulp van mijn toenmalige eindredacteur. Nu stond ik er goeddeels alleen voor, al had ik behoorlijk wat hulp van mijn zoon Max, die vormgever van beroep is, maar ook een goede docent zou zijn.

Dat er een einde zou komen aan mijn werkzaamheden voor OpNieuw zag ik van verre aankomen. De tijdschriften die ik in het verleden gemaakt heb, zowel op papier als op het web, hadden een concept dat door mijzelf bedacht en uitgeschreven was. Dat voelde aanzienlijk beter. Ik heb geen problemen met het werken voor een te lage vergoeding, maar dan moet het wel voor een bladconcept zijn waar ik volledig achter kan staan.

Dus al ploeterend voor onze buurtuitgave, bleef ik fantaseren over een bladconcept dat dichter bij mijn eigen voorkeuren lag. Eigenlijk geeft mijn fotografie het beste aan waar mijn interesses liggen. Al op de overzichtstentoonstelling vorig jaar bij NDSM-fuse kon ik mij niet aan de gedachte onttrekken dat het vele werk dat daar hing nog het beste tot zijn recht zou komen in een boek. Tegelijkertijd zag ik in dat een boek dat een overzicht van bijna vijftig jaar fotografie zou geven, wel enorm dik zou worden en dus een enorm kostbaar project zou zijn.

Al snel begon ik aan een eigen tijdschrift te denken. Ik maakte daar in het begin graag grapjes over. Het tijdschrift zou over kunstenaars en sekswerkers moeten gaan, omdat die twee groepen in de samenleving mij het dierbaarst zijn.

Mijn definitie van het kunstenaarschap is echter nogal ruim. Zo zijn in mijn optiek Drag Queens, Faux Queens, Drag Kings, Burlesque performers, Dominatrixes, etc. ook kunstenaars. Ze gebruiken hun eigen presentatie als een hoogst persoonlijke vorm van expressie die in mijn ogen valt onder kunst. Het ontstijgt in ieder geval de al voor de hand liggende noemer van podiumkunsten, want er is meer aan de hand. Het heeft ook veel te maken met gender en in zekere zin ook met seksuele expressie als drager van een boodschap.

Die groepen performers opereren binnen hokjes die eigenlijk door het publiek en de organisatoren bepaald worden, terwijl ze zoveel met elkaar te maken hebben. Drag Queens zijn bijvoorbeeld vaak ook activisten die opkomen voor de steeds kwetsbaarder wordende LHBTQi+ gemeenschap.

Aan de andere kant is Burlesque ondenkbaar geworden zonder het feminisme dat veel performers en hun publiek na aan het hart ligt.

Ook Meesteressen in de wereld van BDSM dragen bij aan het bijstellen van oeroude rolpatronen.

In mijn ogen zijn al die mensen samen de pioniers van een nieuwe maatschappij die meer rekening houdt met persoonlijkheid en waarin stereotypische rolpatronen onontkoombaar doorbroken gaan worden.

Zo ontstond de basis voor een bladconcept. Een tijdschrift dat ook nog eens een naam moest hebben. Ik koos voor NORDEN, een verwijzing naar mijn eerste jaren als fotograaf/journalist, toen ik van mijn moeder niet onder mijn eigen naam mocht schrijven en onder het pseudoniem Max van Norden publiceerde. Van Norden lag immers niet ver van haar meisjesnaam Van Doren.

Vrijwel niemand zal die verwijzing zien en dat is ook niet belangrijk. NORDEN is als titel gewoon vaag genoeg, zodat er gaandeweg ook nog aan het bladconcept gesleuteld kan worden zonder dat de titel opeens de lading nog maar half dekt. Een pragmatische keuze, dus.

NORDEN is als titel wel makkelijk te onthouden.

Iets anders wat ik bij OpNieuw geleerd heb, is dat ik niet meer voor alle bijdragen onder uiteenlopende pseudoniemen wil tekenen. Ook vind ik mijn eigen fotografie best wel eenzijdig in uitvoering. (Altijd weer die neutrale achtergronden. Wel heel effectief als je de geportretteerden centraal wilt stellen, maar ietwat monotoon.) Het tijdschrift vraagt echter om meer verschillende inzichten qua beeld, dus er zullen ook andere fotografen aan meewerken. Hopelijk ook illustratoren en als vanzelfsprekend ook tekstschrijvers.

NORDEN bevindt zich op dit moment in het stadium van wat ik een digitaal nulnummer zou willen noemen. Er zijn achttien pagina’s in te zien voor mensen die eventueel mee willen werken.

Als verschijningsdatum is 11 november 2021 gekozen, zonder daarbij rekening gehouden te hebben wat die dag zoal betekent in verschillende culturen. Die dag kwam gewoon het beste uit in de agenda.

Hoofdsponsor zal uiteraard Stichting NTV Amsterdam worden.

U zou mij in ieder geval een groot plezier kunnen doen door een bezoekje te brengen aan de website norden.ws, waar u zich ook kunt inschrijven op de nieuwsbrief. Dat is vooral belangrijk als u mee wilt werken, of simpelweg op de hoogte gehouden wilt worden van de laatste ontwikkelingen.

Posted on Leave a comment

Photographers and their gear

Ages ago, it seems, I was sent to New York to interview and photograph Art Kane and Ralph Gibson for a magazine called Zero. I really felt on top of things. It was the first time I boarded an airplane. I went to Art Kane first and his British assistant tried to shoe me away, but I finally got in because I made a remark about the only book in Kane’s studio: Portnoy’s Complaint. Kane talked about his life until he was simply too tired to speak.

A few days later I knocked on Ralph Gibson’s door in Soho, a completely different kind of photographer. Whereas Kane was also an art director and a musician, Gibson seemed to focus solely on photography and Lustrum Press, specialized in photography books. They had one thing in common though, they both drove a BMW, which was amazing to me. Why on earth would anybody in a predominantly Jewish city drive a German car? I was too afraid to ask. It just stuck with me as odd.

Whereas Art Kane at that point in his life seemed to be more drawn to his piano than to his camera, Ralph Gibson was all into photography, and he gave me two meetings of two hours I believe, and I flew home with three hours Gibson on tape and one hour Art Kane, only to find out that Zero was about to go under. The Kane interview was published and the Gibson interview never saw the light of day.

Both men were obviously fascinating, but my talks with Gibson really put a hook in me. Up to this day, I remember most of what he told me about photography. He was obviously an intellectual and somewhat of a philosopher too, which was a new experience for me. Most photographers I had spoken with before him were more about making money than creating new insights on photography. Helmut Newton for instance was a great photographer, but also a very savvy businessman.

I was a bit jealous of Gibson, too. He owned about eight Leica cameras and I owned only one camera, a Minolta XM. A camera that was somehow faithful to me for over 20 years. I even had a name for it. Prima Donna. This was because the camera had an electronic system that was quite rare in these days. (End of the seventies, early eighties.) The light meter would occasionally work, but often failed. So I learned to judge the light with my own eyes. That is how the camera became dear to me. I like things that are half broken, I am half broken myself.

I rarely name my cameras, but I do so occasionally. Being somewhat allergic to the chemicals used to develop prints in the dark room and being a bit claustrophobic on top of that, I immediately switched to a digital camera in 2000. It was a Nikon D1. It was expensive and your average smartphone today has more qualities than the D1 had back then, but I fell in love with it anyhow. Not enough to name it, though.

Years later I bought the Nikon D3 and I named it. Bella Donna. Soon after purchasing it I dropped it once and after that I had occasional issues with the tiny computer in it. Once again I owned a camera that was half broken and that must have been the reason I gave it a name.

In 2019 came the pandemic, and just before that I had switched to the Nikon 810. It works fine. I never saw a reason to give it a name. I even share it with my partner, who is a botanic photographer. That is rare for me. I don’t like sharing cameras. Maybe I can share this camera because it is definitely not ‘half broken’. It works like a Swiss watch, so it has become a tool. I am not protective about it.

Most assignments were canceled during the pandemic and I had time enough to really think about my photography and specifically what digital photography had brought me. My conclusion was that my work had become too sterile and with the help of Photoshop I had entered a field that is best described as glamour photography.

I went shopping for an old analogue camera. I tried the Nikon F2, the camera I first worked with as an assistant photographer, then the F3, but they did not feel too good. Then I discovered the F4. I never had one when they first came out, simply because they were too expensive for me. Now they were about 200 USD. I ended up buying a few. Most of the pandemic pictures on Amsterdam in silver were made with the F4.

In the studio, however, I still did the occasional photo shoot with the digital Nikon D810. Soon I started fantasizing about an analogue studio camera, and I decided on the Mamiya RB67, the same camera I had abandoned when I switched to digital photography.

It seems like I need to learn photography all over again and I have not yet produced enough material to show it here, especially since it would be in stark contrast with what I have produced over the last twenty years, but I am most definitely having fun with it. I might even use it for assignments one day.

Posted on Leave a comment

Women and their Harleys

Chris de Vos, 1984

It really is a pleasure to have most of your negatives digitized. Well, certainly not all of them, but I keep finding series that I have long forgotten.

This was an assignment for a Dutch weekly, and it is one of the very few series that I actually planned with the help of someone who knew how to make a planning. The whole series of about 12 photographs was done in two weeks. If had done the planning myself, it certainly would have taken at least three months. Once I have a subject, I start living it.

I was particularly impressed by this woman, Chris de Vos, if I remember well, who also owned a trike. She did not mind riding her bikes in the rain, which is not all that common among Harley-Davidson owners.

Posted on Leave a comment

Looking back

Creating this (partially) new website is also a stroll through my archives and I dug up some of my oldest photographs and I put them in perspective on a page called Early Photographs.

I am doing this against my old rule that no photograph should ever need text to accompany it. In this case, I thought it was fun to have a short story line on the struggles of a young photographer.

Posted on Leave a comment

Merging sites

Portrait of Miss Baksel, Drag Queen – © HvdK

I am a compulsive website creator, so I often end up with about seven to ten sites for different projects covering different disciplines or subjects. I am not saying that I will merge all these sites into one, but at least three will be merged into this one site which has been mainly focused on my studio photography. The following sites will be merged into this one central site:

hansvanderkamp.net
This is a site I have not updated regularly in the last few months, but I will in the near future. It contains analogue photography made during lockdowns with my beloved Nikon F4. There will be more lockdowns ahead, so there will be more photography coming up. Once these series is on this site, I will also add vintage analogue photographs. My career spans a long time and I created a lot of analogue photographs between 1976 and 2001.

hansvanderkamp.info

I am Dutch but certainly not in a patriotic fashion, although I really do love the heart of Amsterdam where I live. Still, my native tongue is obviously Dutch and so is my blog, where you can find my occasional thoughts on photography and life in general. So after two decades this site will become bilingual.

Posted on Leave a comment

Controversial

I was quite ignorant then, because I thought I would cover most of what I was looking for in about five years. It became a project with no end in sight.

Social media came and the world changed. My first profile on Facebook was deleted. I wasn’t banned for a week or longer. My whole profile with a lot of followers/friends simply vanished. I cannot recall the reason for those harsh actions. Something really serious. It took me a while to figure out that posting a picture with a nipple on it was a deadly sin of some sort. I was still very naive. Or maybe FB moderators are quite naive.

I got used to that. A few years later, my son came home after he had shared my work with a friend. This friend had called my work pornographic. That was new to me. In my perception, pornography was something quite different. But soon I found out that Millennials have very broad ideas of what is supposed to be pornography.

I quickly adjusted to that, and I accepted the fact that my work was pornographic. So I sent some material to a very successful porn site, but they refused my works, stating they had no interest in fine art photography.

From then on things got confused, but I stuck to my theme. Last year there was a very large exhibit of my works in Amsterdam and the curator told me that she wouldn’t invite her parents to this show. I asked her why, and she needed some time to come up with an answer. Finally, she said: ‘Your work is too risqué.’ Actually, she used a very old Dutch word that nobody uses anymore in that context. Pikant. To my knowledge, there is no adequate translation for this word.

I was stupefied. Still, the exhibit was a success. Lately I am confronted with a completely new phenomenon. Traffic to this site increases and my Google ranking drops. I sincerely hope we are not heading towards a situation where search engines are actively filtering sites for possible nipple sightings. This was quite normal in the 1990s. Google earned part of its success by not filtering sites and images as Yahoo! and others did.

Wish me luck!