Posted on 2 Comments

Chef Handwerk

Ooit was ik Chef Handwerk. Daarmee breek ik even mijn verhaallijn, want in een aantal stukken hier spreek ik over mijn eerste baan als fotograaf voor Nieuwe Revu. Voor mijn gevoel klopt dat ook wel, want ik voelde mij zeer verbonden aan de Geïllustreerde Pers, de toenmalige uitgever van het tijdschrift, maar er gingen uiteraard nogal wat baantjes aan vooraf.

Zo was ik dus o.a. Chef Handwerk bij de UFAC. Als je die functie voluit hardop uitspreekt, dan kun je aan de dubbelzinnigheid helemaal niet meer ontkomen.

UFAC stond voor Utrechtse Foto Afdruk Centrale. Het bedrijf werd gerund door een oude man en zijn zoon. De meeste foto’s waren indertijd namelijk nog zwart-wit en het grootste deel van het personeel zat in het donker negatieven af te drukken achter machines die het meest leken op uit de kluiten gewassen naaimachines. Het papier werd aan de rol aangeleverd en dan schoof je een negatief onder het enige, kleine lichtpunt en dan kon je kiezen uit vijf toetsen die stonden voor het contrast van de afdruk. 1 stond voor het laagste contrast, 5 voor het hoogste contrast. De belichtingstijd werd verder automatisch geregeld. Je koos een knop en met je voet drukte je vervolgens op een pedaal en dan schoof je het volgende negatief onder het lampje.

Een kind kon de was doen, maar er was één klein probleem. De op die manier tot stand gekomen foto’s moesten in de helverlichte gang door de oude eigenaar beoordeeld worden. De man leefde in voortdurende ontkenning van het feit dat hij staar had, dus foto’s die een hoog contrast hadden, keurde hij meteen goed en foto’s met een normaal contrast werden steevast afgekeurd.

Waar je ook op deze godvergeten planeet rondloopt, je zult altijd mensen aantreffen die zelfs de meest geestdodende activiteiten met het grootst mogelijke verantwoordelijkheidsgevoel uitoefenen. Zo was er een vrouw op onze afdeling die zonder meer de mooiste afdrukken maakte, maar haar werk werd uiteraard steeds afgewezen. We hoorden haar dan even snikken, maar vervolgens plaatste ze een nieuwe rol in de machine en met een beetje geluk werd de nieuwe reeks afdrukken beoordeeld door de zoon van de baas. Meestal was dat ook wel zo, want de ‘overmakertjes’ deed je natuurlijk niet in de baas zijn tijd, maar na vijven en dan was de ouwe allang naar huis en dan beoordeelde zijn zoon, met twee gezonde ogen, het werk. Zo kwam ze dan toch, met veel onbetaalde overuren, nog door haar niet geringe werklast heen.

Zelf heb ik dat probleem nooit gehad. Na de eerste ervaring met de kwaliteitscontrole van de oude eigenaaar, drukte ik alles gewoon af met knop vijf, want dan vond hij ze prachtig en liep ik een keer tegen de jonge aan, dan zei hij hooguit: ‘Nou, misschien de volgende keer een tikje minder contrast.’

‘Komt in orde, baas!’ riep ik dan vrolijk en plaatste de volgende rol. Ik ben nu eenmaal een pragmaticus.

Zo kwam het dat ik snel carrière maakte binnen het bedrijf. Op een ochtend werd ik door de ouwe in zijn kamertje geroepen en hij vertelde me dat ik mezelf vanaf nu Chef Handwerk mocht noemen. Dat betekende in de praktijk dat ik een aparte donkere kamer tot mijn beschikking kreeg die ik moest delen met Assistent Handwerk.

Wij hadden een aanzienlijk minder zware werkdruk, want in die tijd vonden mensen het al wild als een foto niet op 9×12 centimeter werd afgedrukt, maar op het imposante formaat WPK, oftewel Wereld Postkaart. Ik ben vergeten wat de exacte maten van een WPK waren, maar ik neem aan 10×15 centimeter, en ook die foto’s werden op de rol geprint.

Bij die donkere kamer moet u zich trouwens niet te veel voorstellen. De ruimte had ongeveer de grootte van een badkamer in een rijtjeshuis. De Assistent en ik konden vrijwel geen handelingen verrichten zonder elkaar aan te raken. Daarnaast was de Assistent, die zijn pensioen naderde, qua hygiene nog echt ‘old school’. Hij ging er prat op dat hij uitsluitend op zaterdag onder de kraan ging en hij sloeg ook wel eens een weekje over. De doka had geen airco, dus zijn lucht in combinatie met de geur van de toen gangbare chemicaliën was gruwelijk. Op den duur wende je eraan, maar waar ik in het geheel niet aan kon wennen was het eeuwige gemompel van mijn Assistent.

U moet weten dat in die tijd de eerste gastarbeiders in Nederland lang genoeg hier werkten om zich te kunnen permitteren eenmaal per jaar terug naar het thuisland te gaan voor vakantie. Ze namen dan een goedkope camera mee en zetten daarmee de hele familie op de groepsfoto. Meestal voor de zekerheid buiten in de knallende zon. Die camera’s hadden dan de keuze tussen een schaduw, een wolkje en een zonnetje voor de belichting. Helaas was het zonnetje in het land waar de camera’s gemaakt werden heel wat minder fel dan de zon in Noord-Afrika, die ook nog eens weerspiegeld werd door woestijnzand.

Keek je tegen de olijfgroene dokalamp naar zo’n negatief, dan zag je hoofdzakelijk zwart met een paar lichte stipjes. Dat betekende in de praktijd dat zo’n negatief, om redelijk afgedrukt te worden, belichtingstijden van meer dan drie of vier minuten nodig had. Hoe groter het formaat, des te langer de belichtingstijd. Dat kon oplopen tot een kwartier per afdruk.

Hij was waarschijnlijk een van de eerste Nederlanders die – in deze tijd – extreem rechts genoemd zou worden, dus al bij het zien van een naam als Ali of Mahmut op de werkenvelop had hij de schurft in. En daarna begon het gemompel tijdens het belichten: ‘Kom, godverdomme! Kom! Kom, godverdomme, kom!’ Dat was zijn manier om het einde van de belichting, bepaald door een Agfa Variomat, af te wachten.

Hoor dat maar eens een middagje aan. Ik voelde een diepe weerzin naar die man. Dat was geheel wederzijds, want hij kreeg als Assistent alleen dat soort negatieven, terwijl ik als Chef hoofdzakelijk het werk voor het Utrechts Nieuwsblad leverde en natuurlijk dat van een enkeling die grote foto’s ontdekt had, zoals de wat oudere echtgenoot van Martine Bijl, die door zijn leeftijd begrepen had dat alles wat jong en fris is, nu eenmaal niet eeuwig zo blijft, wat hem kennelijk motiveerde om Martine vrij regelmatig schaars of in het geheel niet gekleed op de gevoelige plaat te zetten.

Als Chef Handwerk behang je daar de muren van je donkere kamer mee, maar je komt nooit in de verleiding het materiaal aan de hoogstbiedende te verkopen.

Het noodlot trof ons uiteindelijk in twee etappes. Op een maandagochtend kwamen mannen met overalls de machines van het amateurwerk lichtdicht maken. Mensen die twintig jaar of langer met elkaar in pais en vree in het donker hadden zitten werken, kwamen nu opeens onder bakken met neonlicht te zitten. Het ene na het andere conflict brak uit. Het was kennelijk toch een andere ervaring als je bij iemands woorden ook een gezichtsuitdrukking kon zien. Twee collega’s, die al jaren een geheime relatie met elkaar hadden, verbraken hun romance wat resulteerde in het vrijwillige ontslag van de een.

In de donkere kamer werden de baden waarin de afdrukken ontwikkeld en gefixeerd werden vervangen door een gleuf in de muur waar we het vel papier na belichting in schoven. Ik zeg het simpeler dan het was. Achter die gleuf bevond zich uiteraard een state of the art ontwikkelmachine. Het apparaat verspreidde penetrante geuren die via een slang weer teruggeleid werden naar de donkere kamer. Dit laatste om de directeur en zijn zoon, die in de aangrenzende ruimte werkten, niet in de giftige dampen te zetten.

Ik kreeg al snel jeuk en eczeem op de meest onverwachte plekken. Oudere collega’s noemden dat ‘de dokaziekte’.

Voordat ik me echter definitief ziek kon gaan melden, kwam er een onverwacht bezoek van de Arbeidsinspectie. Dat kon in die tijd nog zo maar gebeuren. Het kwaadaardig ondernemen was nog niet tot religie verheven en werknemers hadden nog rechten, ook als ze niet voor de overheid werkten. Ja, ik weet het, truth is stranger than fiction.

Ik mocht niet meer terug naar de UFAC en ik werd voorgeleid aan een commissie van wijze, oude socialisten met een achtergrond in het vakbondswerk. Zij concludeerden in een walm van sigaren- en sigarettenrook dat mijn werkomstandigheden ongezond waren en dat ik recht had op een werkeloosheidsuitkering die 24% hoger lag dan mijn laatstverdiende salaris. Daarmee werd duidelijk dat ik ook nog eens onderbetaald was voor mijn werkzaamheden. Dat werd ook bevestigd. Ik ontving een cheque van de gemeente waarmee het deel dat de werkgever gekort had op mijn salaris alsnog met terugwerkende kracht werd uitbetaald.

Zelden heb ik mij zo rijk gevoeld.

Posted on Leave a comment

Bevrijdingsdag

Tot vandaag ben ik – op een ritje met nicht José naar de berging na – in zes weken niet buiten geweest, maar gisterenavond belde kunstenaar Bert Schrama op. Hij had het plan om op een lege Dam te gaan zitten mediteren over vrijheid.

Mijn en ook zijn gedachte was dat het niet echt eenzaam mediteren zou worden op een lege Dam. De landelijke pers had een seintje gekregen en die jongens en meisjes komen wel opdagen met hun anderhalve meter lange microfoonhengels met een plopkap erop die waarschijnlijk nooit schoongemaakt wordt, laat staan gedesinfecteerd.

Dat deel van de happening hoefde ik dus niet zo nodig bij te wonen. Hij vroeg of ik aankondigingsvideo voor sociale media wilde maken en mijn handen jeukten. Het is inmiddels zo erg met mij gesteld dat ik op cameraknopjes zit te drukken zonder iets te filmen of te fotograferen, alleen maar om het geluid te horen, want daar word ik dan rustig van.

De Nikon F2 ligt aan het hoofeinde van mijn bed. Dat is de camera die alleen voor privégebruik is. De F2 wordt nog geladen met film, dus ik kan niet zonder consequenties op het knopje drukken, maar wel door de zoeker turen. Het is pathetisch, dat geef ik meteen toe, maar het geeft tegelijkertijd aan hoezeer ik werken met beeld mis.

Rob Schrama woont op tweehonderd meter afstand. Ik hoefde maar vier trappen op en onderweg zou ik niemand tegenkomen. Zijn appartement was ruim genoeg voor de vereiste anderhalve meter.

Eerst kreeg ik thuis nog een fit, omdat ik mijn video rig niet goeg in elkaar kreeg, omdat die constructie nieuw is, vlak voor de Coronacrisis aangeschaft, en ik had gesodemieter met de opsteekmicrofoontjes. Op de een of andere manier wilden die niet met de camera communiceren.

Ik kan heel naar vloeken en suïcidale teksten uitslaan als ik dat soort handelingen verricht. Eveline kiest er dan voor om een eindje verderop te gaan zitten. Bij voorkeur bij de openslaande deuren, alsof ze, mocht het te erg worden, ook de bereidheid zou hebben om uit het raam te springen.

Uiteindelijk liep ik toch zwetend over straat met een loodzware Atomos camera plus de Shogun Inferno field recorder richting Schrama. Het al even zware Manofrottostatief maakte van die paar honderd meter en de vier trappen toch nog een atletische uitdaging.

Maar goed, ik heb weer wat gefilmd en ik voel me alweer een stuk beter.

Posted on Leave a comment

Berufsverbot

Ik had Dikke Charles, een leger aan dubieuze advocaten en de redactie van Propria Cures overleefd, maar mijn leven stond stil. Pogingen om werk te vinden waren vergeefs. Ik was gewend dat het werk naar mij toekwam en zo liep dat nu niet meer.

Toen de bladen High Society en Playgirl, waar ik hoofdredacteur van was, voor het eerst onderuitgingen door problemen op de beurs voor het hoofdkantoor in New York, werd ik nog wel gebeld door head hunters die in mij een geschikte kandidaat zagen voor de hoofdredactie van Quote en zelfs Avant Garde. Omdat ik geen verstand had van geld, behalve het uitgeven ervan, en ook al niet zo op hoogte was van de laatste ontwikkelingen in de mode, ben ik niet op die suggesties ingegaan, maar het gaf me toch wel het gevoel dat ik nog enig bestaansrecht had.

Hoe geduldig ik nu ook naast de telefoon zat te wachten, niemand belde. Ja, af en toe een journalist die bezig was met een artikel over misdaad en bij mij antwoorden zocht op vragen die hij of zij zelf met geringe inspanning ook wel had kunnen vinden.

Zoals ook de door mij bewonderde Max Pam. Hij belde me midden in de nacht op. Ik was bij een vriend op een verjaardagfeestje en ik was verre van nuchter. Hij stelde zoveel vragen dat ik hem toebeet of hij soms ook nog wilde dat ik het hele stuk voor hem ging tikken. Hij was wel de laatste persoon in Amsterdam die zo’n reactie van mij had verdiend, maar hij belde precies op het verkeerde moment.

Ik was de stad zat. Ik wist te veel van de criminele kant van Amsterdam en tegelijkertijd wist ik ook te veel over bestuur en politie om me nog een Amsterdammer te voelen zonder daarbij een vieze smaak in de mond te krijgen.

In die periode keek ik uit ledigheid ook veel televisie, iets wat ik vrijwel nooit deed en ik zag op de plaatselijke omroep dat er geruchten waren over corruptie bij de PvdA. Het inmiddels vertrouwd geworden hoofd van Van der Laan schoof voorbij als ‘onafhankelijk waarnemer’. Binnen recordtijd schreef hij een rapport waaruit bleek dat de PvdA in Amsterdam van alle smetten vrij was.

Jaren eerder zou ik mij daar over opgewonden hebben, maar nu moest ik een geeuw onderdrukken.

Van een afstand zag ik PvdA’er Rob Oudkerk ook nog steeds noest aan zijn eigen graf graven. In alle functies die hij uitoefende werd hij geleid door zijn geslachtsdeel en het werd met de dag genanter, totdat het een punt bereikte dat het de PvdA als partij zou gaan schaden en toen heeft men maar iets willekeurigs uit de berg ranzigheid getrokken om hem in diskrediet te brengen, met als belangrijkste motivatie dat andere activiteiten van hem die vele malen ernstiger waren dan niet aan het licht zouden komen.

Hij deed nog een toespraakje voor de plaatselijke omroep als de vermoorde onschuld en sloot af met de medeling dat hij een glas Campari zou gaan drinken. Dat was een mooie keuze qua drank. Bitter en tegelijkertijd mierzoet, een perfecte afspiegeling van zijn afscheidswoorden.

Natuurlijk was er op zich niets mis met de PvdA wat met andere partijen niet ook mis was, maar ze hadden inmiddels zo lang deze gelaagde stad bestuurd dat het aantal mensen binnen de partij die met een pak boter op het hoofd rondliepen, steeds groter werd. En de boter begon onder druk van inquisitieve zielen in de media langzaamaan te smelten. Kortom: het werd glibberig in de gangen van de Stopera.

Deed ik eens wel een serieuze poging om werk binnen te halen, dan kreeg ik halverwege het gesprek te horen: ‘Jij werkte toch voor Dikke Charles?’ of pijnlijker: ‘Jj was toch zo’n kapo in de georganiseerde misdaad?’ Dat wat ik met gevaar voor eigen leven had bestreden, daarmee werd ik nu vereenzelfigd. Er was geen ontkomen aan. Het voelde als een Berufsverbot.

Op een dag belde mijn vriend en schrijver Theo Gaasbeek op. Hij was en is een bijzondere man. Hij heeft traagheid tot kunst verheven, maar ik heb nooit iemand gekend die zo geïnspireerd is en zo weinig fouten maakt als hij. We hadden een lang en uiteraard traag telefoongesprek. Bij het ophangen zei hij: ‘Oh, nou was ik nog bijna vergeten dat Thomas Verbogt een paar maanden geleden om je telefoonnummer vroeg. Ik geloof dat ze iets van je uit willen geven.’

Schrijver Verbogt was in zijn vrije tijd lector voor L.J. Veen Uitgevers en het klopte dat men daar ‘iets van me wilden uitgeven’. Ik had een verhalenbundel klaarliggen, maar de uitgeverij was meer geïnteresseerd in een roman. Gerelateerd aan de stukken in Propria Cures, uiteraard. Ik was enigszins teleurgesteld. Liever had ik een debuut met korte verhalen gehad, maar ik begon zonder dralen te werken.

Zonder enige ervaring in het schrijven van een roman, tikte ik in een periode van een half jaar 220 pagina’s vol en bij herlezing kwam ik tot de conclusie dat vrijwel alle hoofdstukken even beroerd waren. Ik stond nog niet ver genoeg af van de gebeurtenissen. De toon van de hoofdpersoon was die van een rancuneuze medewerker van een administratiekantoor, die zijn ontslag niet helemaal goed had kunnen verwerken. Het manuscript, dat de werktitel ‘Een manke pornobaron’ droeg, ligt nog steeds ergens in mijn archief te verstoffen en ik heb nooit de moed op kunnen brengen om het te herlezen.

Er was geen andere oplossing dan gewoon opnieuw te beginnen. Het oude manuscript hield ik weliswaar bij de hand voor het geval dat ik er wat goede passages uit zou kunnen lichten.

Ik deed bijna twee jaar over de tweede versie van die roman. Dat kwam vooral omdat ik niet lang achtereen kon schrijven over de hoofdpersoon die een samenvoegsel was van mezelf en een aantal andere lieden die ik geen prominente positie in de roman wilde geven, maar die wel belangrijk waren voor de verhaallijn. Ik noemde mijn hoofdpersoon Max van Norden en het was met recht een onuitstaanbaar individu. Geregeld moest ik het werk even een paar weken neerleggen. Als men mij dan vroeg waarom ik niet verder schreef, zei ik dat ik braakvakantie had.

Braakvakantie was de beste omschrijving van die periodes die anderen misschien writer’s block zouden noemen. Zonder erg was het schrijven aan de roman een zo grondige zelfanalyse aan het worden dat ik mezelf nog nauwelijks in de spiegel durfde aan te kijken en tegelijkertijd wilde ik vooral geen roman schrijven in de Nederlandse traditie, waarin de hoofdpersoon voortdurend wijs toekijkt, zonder ook maar een moment deel te nemen aan enige vrom van narigheid. Ik wilde een rotjongen, een schelm, een antiheld als hoofdpersoon.

Na veel geploeg lag er op een dag in juni een pak van zo’n 300 vellen A4, en bij herlezen bleek het meer dan een pak papier te zijn. Het was ook inderdaad, door meer op structuur te letten, een roman geworden. Ik bleek welgeteld twaalf pagina’s uit het eerste manuscript gebruikt te hebben.

Na eindeloos herschrijven en corrigeren besloot ik op een zonnige middag naar de uitgeverij te lopen om dat pak papier af te geven. Ik was nog niet buiten of het begon te stortregenen. Ik haastte me langs de gracht en gaf het manuscript af bij de receptie. ‘Manuscript voor Veen,’ zei ik, alsof ik al jaren voor een koeriersdienst werkte.

Toen ik eenmaal doorweekt thuis zat, ging de telefoon. Mijn uitgever: ‘Als je bij ons een roman komt inleveren van die omvang, dan mag je ook best even binnenkomen.’

Posted on Leave a comment

Het studentenweekblad (5) – Slot

Het lag voor de hand dat ik me niet lekker voelde in rol van meeloper, al ben ik misschien minder vernederd dan de meeste meelopers, want ik hoefde bijvoorbeeld geen koffie aan te dragen voor zittende redacteuren. En het PC-meisje bleek na de fikse huilbui in het café opeens een redelijk sympathieke collega te zijn. Zij leek niet echt een eigen mening hebben, of misschien liet zij die niet genoeg merken, want alleen Casper en Adriaan maakten beslissingen. Wel bleek ze een goed gevoel voor humor te hebben en die eigenschap is op een redactie niet alleen toegevoegde waarde, het is zelfs een basisvoorwaarde als je elkaar vlak voor deadline niet in de haren wilt vliegen.

Casper bleef gewoon Casper. Ik heb hem een licht sociopathische natuur toegeschreven, maar dat was misschien een understatement. Zonder ook maar goed te kijken naar mijn illustraties, wees hij ze met breed zwaaiende arm af, vergezeld van nodeloos kwetsende opmerkingen. Jaeggi stond er met afgezakte schoudertjes naast als een soort Baldrick uit de serie Blackadder.

‘Jij denkt toch te kunnen tekenen,’ zei hij op een avond, terwijl hij me het gebouw uitleidde. ‘Zie je die antirookreklame? Teken die maar even na. Het formaat schatte ik op drie bij vier meter en ik had slechts een piepklein notitieblokje bij me. Ik besloot een schetsje te maken, die ik op de redactie zou uitwerken. Tevreden werd hij pas over de illustratie, toen hij zijn eigen grappig bedoelde tekstje eronder had geplaatst. ‘Perfect!’ zei hij met glinsterende ogen.

Dat geeft de sfeer wel zo’n beetje weer. Diezelfde sfeer werd op een avond – voor mij geheel onverwacht – verbroken door de komst van een man met een lange jas, van het soort waar daklozen ook graag in rondlopen, omdat je er zo handig allerlei zaken in mee kunt dragen.

Hij leek ook een douchebeurt te kunnen gebruiken, maar verder was het een aimabele man met een imposante stem. Zijn naam was P.F. Thomése en hij stelde zich voor als Frans. Hij werd onze gastredacteur. Ik had meteen met hem te doen. Je zult toch maar zoals hij op betrekkelijk jonge leeftijd met je debuut de AKO-literatuurprijs winnen. Dat zou verboden moeten worden, en niet om redenen waarvan u mij nu misschien verdenkt.

Ik heb altijd een simpele fliosofie gehad: Complimenten zijn aanmaningen en prijzen hun executies. Heeft u in uw leven weinig ervaring met deurwaarders gehad, dan ontgaat de betekenis van deze uitspraak u waarschijnlijk geheel.

In ieder geval dwingt zo’n hele grote prijs je op een platform van extreem hoge verwachtingen en probeer dan nog maar eens een tweede roman te schrijven. De een zal daar gevoeliger voor zijn dan de ander, maar alles wat je doet wordt in het kader van die prijs beoordeeld.

Thomése babbelde graag en omdat wij in dezelfde buurt woonden kwamen we elkaar soms tegen en zo herinner ik me dat we op een dag op het terrasje in het Vondelpark eindigden, waar we spraken over de zittende redactie. Hij had ook niet zo’n hoge dunk van de redacteuren. Bovendien had hij zich in algemene zin wat meer voorgesteld bij het roemruchte studentenweekblad met meer dan een volle eeuw geschiedenis.

De week ervoor had ik mijn 23ste stuk geschreven. Het stuk aan de hand waarvan bepaald werd of ik redacteur ‘mocht’ worden. Stilistisch en inhoudelijk was er weinig of niets aan te merken op de tekst. Met opzet had ik een tekst geschreven met eenheid van tijd, plaats en handeling. Die stukken zijn vaak moeilijker onderuit te halen. Dus Casper nam de rol op zich om een goed argument te verzinnen, waar moeilijk over te discussiëren viel.

‘Het is geheel onbegrijpelijk,’ zo oordeelde hij, ‘ik heb werkelijk waar geen idee waar dit over ging.’

‘Niets van te begrijpen,’ zei Jaeggi ook nog even. Het PC-meisje ging even naar het toilet.

Ik draaide me op mijn hakken om en verliet de redactie. Zij wisten niet hoe snel ze het verhaal rond moesten gaan bazuinen dat ik het redacteurschap zelf geweigerd had, omdat ik Propria Cures publicitair voldoende had uitgemolken en dat het voor mij niet opportuun was om nog anderhalf jaar gratis redacteur te zijn, terwijl ik al een contract bij L.J. Veen Uitgevers had voor een roman.

Dat laatste was mij geheel onbekend. Ik nam aan dat het een verzonnen argument was om hun uit de duim gezogen verhaal wat kracht bij te zetten.

Thomése vond dat ook allemaal niet zo stijlvol en toen ik hem vroeg of ik hem in vertrouwen kon nemen, zei hij zonder aarzelen ja. Ik vertelde hem dat ik bij wijze van stunt op dinsdagavond laat de tekstfilms van het blad wilde omwisselen voor een eigen versie van het tijdschrift.’ Dat was voor mij makkelijk te doen, omdat ik een bedrijfje had gehad dat in desktop publishing deed.

‘Geweldig idee,’ zei Thomése, nadat hij nog wel even geïnformeerd had of niemand daar mogelijkerwijze op betrapt zou kunnen worden. Nadat ik gesteld had dat ik zelf de filmwissel zou doen, ging hij akkoord. Helaas was dat enthousiasme ingegeven door bier, vermoed ik, want hij verraadde mijn plan bij de eerstvolgende gelegenheid dat hij de redactie ontmoette.

In plaats daarvan maakte de zittende redactie – geheel voorspelbaar – zelf onder mijn naam een nummer dat, hoe kan het ook anders, ruim moest leunen op mij neerzetten als pornograaf. Later sprak ik het PC-meisje nog en die zei heel trots dat ze voor de halve pagina grote advertentie onder de kop: MIJN PIK, ondertekend met mijn naam, in een seksshop de mooiste pik voor me uitgezocht had die ze had kunnen vinden.

Ze had inderdaad smaak. In ieder geval op het vlak van het uitzoeken van geslachtsdelen.

Nadat Thomése het hele nummer had gezien, mompelde hij dat het misschien toch niet zo netjes van hem was geweest om verraad te plegen. Nee, hij stond nu met zijn goede naam ook tot aan zijn enkels in de Leidse studentenleut. Dat kon niet helemaal in zijn voordeel werken.

Maar goed, er was natuurlijk een einde gekomen aan een lange lijdensweg. Ik zou de redactieleden pas weer zien op televisie bij Sonja Barend, waar ze zich met gebogen hoofdjes verontschuldigden voor de commotie die ze veroorzaakt hadden door Leon de Winter uit een publiciteitsfoto te knippen en hem tegen een foto van stapels lijken in een concentratiekamp te plakken met daaronder een tekst die in hun ogen grappig was.

Het was ze dus uiteindelijk ook gelukt om de media in beroering te brengen en de aandacht op zichzelf te vestigen, in plaats van op mij. Het idee kon haast niet anders dan van Casper zijn, maar ze wilden niet zeggen wie het gedaan had. Ze waren één redactie en ze droegen gezamenlijk de verantwoordelijkheid.

Ze wisten het te brengen alsof het een nobele daad was, maar er was maar één iemand in de redactie die met geloofs- en rassentheorieën liep te leuren en dat was Casper Schoemaker. Jaeggi was volgens mij zelf joods en het PC-meisje had zoiets nooit in haar eentje mogen bedenken.

Van roemrucht ging Propria Cures naar een blad met een luchtje. Dit alles binnen een periode van een paar maanden. Gelukkig kwamen er nieuwe redacties en het weekblad is tot op de dag van vandaag nog steeds bijzonder de moeite van het lezen waard.

Posted on Leave a comment

Het studentenweekblad (4)

Na mijn nutteloze bezoek aan het Muiderslot in de hoop een prijs in ontvangst te nemen, die ik toch eerlijk gewonnen had, was er nog een kort telefoongesprek met redacteur Adriaan Jaeggi. Hij bleef bij hoog en bij laag beweren dat alles een pijnlijk misverstand was en dat de fout weliswaar bij hem lag, maar dat ik nu niet kwaad mocht zijn, omdat ik toch echt de volgende week geacht werd acte de présence te geven, want het uitreiken van de Keefmanbokaal moest immers als een serieuze aangelegenheid gezien worden.

Het kan nooit kwaad iets toe te zeggen aan iemand die zelf zijn toezeggingen niet nakomt, dus ik verzekerde hem dat ik aanwezig zou zijn.

Uiteraard zou ik niet op komen dagen, ik gunde hen een vergeefs ritje naar het Muiderslot van harte en ik kan me niet herinneren gebeld te zijn, dus alles was goed gekomen, ook zonder mij. Dat bleek ook toen het volgende nummer van Propria Cures uitkwam. Mijn toespraak sierde de voorpagina. Bij Propria Cures zijn ze waanzinnig goed in het schrijven van een stuk onder de naam van een ander om iemand daar volmaakt belachelijk mee te maken, maar dit was zonder meer een slap stuk, voorzien van een foto van mij als winnaar. Ik dacht in de foto Michael Jackson te herkennen en dat vond ik wel aardig. The King of Pop als mijn alterego, het kon altijd beroerder.

Inmiddels was ik wel klaar met die redactie en ik eiste dat ze de Keefmanbokaal in een café, ergens in De Pijp, zouden overhandigen en daar zaten ze natgeregend bijeen met hun plastic tasje met daarin een bokaaltje gewikkeld. De V van victorie bovenop de bokaal was onderweg afgebroken, maar dat kon ik volgens Jaeggi makkelijk weer aanlijmen met secondenlijm.

Maar er was meer stuk gegaan dan alleen het victorieteken. Ik was het nu definitief zat en eiste een redacteurszetel op, maar dat lukte niet, want ik had volgens hen onvoldoende gepresteerd voor een redactiezetel. Dat na 20 stukken, een handvol illustraties, een gewonnen kort geding en twee opeenvolgende prijzen.

Ik besloot alle goede manieren even te laten varen en vroeg het PC-meisje hoe het voelde dat mij het redacteurschap geweigerd werd, terwijl zij op het inzenden van haar portretfoto de redactie was binnengerold.

Indertijd dacht ik nog dat opportunistische mensen, zoals het PC-meisje, geen echte diepe gevoelswereld kenden, maar ze begon nu toch onbedaarlijk te huilen. Er kwam geen einde aan de hoeveelheid traanvocht die zij wist te produceren. Wel mooi gedaan, zonder schokkende schouders en luide uithalen.

Nog niet zo lang geleden was ik hoofdredacteur van Playgirl geweest, waar hoofdzakelijk vrouwen werkten, en daar had ik een belangrijke levensles geleerd. Mannen worden, eenmaal geconfronteerd met een voor hen onplezierige waarheid, steevast boos en vrouwen gaan huilen. Dat is allemaal wel heel erg lang geleden. Inmiddels zie je het fenomeen van huilende vrouwen op werkvloeren een stuk minder vaak.

Ik besloot er nog een schepje bovenop te doen, terwijl Casper Schoemaker zijn best zat te doen alsof hij ook gezichten kon trekken die een zekere empathie uitstraalden. Maar vergeefs.

Jaeggi trok het zich het meeste aan dat het PC-meisje moest huilen en dat was ook wel voor de hand liggend na al zijn geklaag over een gebrek aan seks. Het PC-meisjes sliep met iedereen, maar niet met Jaeggie. Een verstandig mens verlegt dan zijn doelen, maar dichters van koddige strofen leven in een geheel andere wereld.

Er werd uiteindelijk overeengekomen met veel gekreun dat ik ‘meeloper’ zou worden. Dat is bij Popria Cures de term voor redacteur in spe. Het is nogal een nare positie, een beetje als student zijn in een ontgroening. Je moet ook koffie aandragen voor échte redacteuren. Geef een strobreed toe aan Rechts Nederland en ze maken zelfs van een redactiehok van vier bij vijf meter een slavenschip.

Ik ging ermee akkoord in de gedachte dat ik, wanneer ik eenmaal redacteur zou zijn en zoals de PC-traditie dat wil, niet meer gencensureerd of gecorrigeerd mocht worden, de schade die me aangedaan was ruim zou inhalen.

Posted on Leave a comment

Het studentenweekblad (3)

Nu had ik toen ik bij Propria Cures begon te schrijven al zeker vijftien jaar voor andere media geschreven. Dat begon al bij de Revu waar ik liever geen journalist bij me had, wanneer ik als fotograaf achter gevoelige onderwerpen aanging. Twee mensen die iemands territorium binnen komen vallen is veel belastender dan wanneer slechts één persoon langskomt, die ook nog pretendeert voortdurend met zijn camera overhoop te liggen. Vaak was dat ook zo, maar even vaak speelde ik dat. Ik zou nooit vergeten om de dop op mijn lens te laten zitten zodat de te fotograferen persoon mij daar even op kon attenderen.

‘Hé, je dop zit er nog op!’

Probeer je als fotograaf door een lens te turen waar een dop op zit, dan word je al snel voor onhandig, maar vaker nog voor oliedom versleten en dan krijg je verhalen te horen die een schrijvend journalist nooit te horen zou hebben gekregen.

Dus niets wat bij Propria Cures gebeurde was echt nieuw voor me. Op één ding na, en dat was het hardop voorlezen van mijn teksten, niet alleen op de redactie, maar ook in cafés, vestzaktheaters en op het Studentencorps. Ik kon dat niet. Ik werd draaierig, mijn handen begonnen onnodig te trillen en de letters bewogen voor mijn ogen.

Mijn huisarts die veel patienten van het Concertgebouworkest in zijn praktijk had, verzekerde mij dat dit doodnormaal was en dat daar ook een pilletje voor was. Met enige trots vertelde hij dat al ‘zijn’ violisten zo’n pilletje slikten.

Dat pilletje werkte bij mij niet. Het is goed mogelijk dat ik er minder trillerig van werd, maar de rest van de symptomen maakten het voorlezen nog steeds ondraaglijk.

Wat wel werkte was het innemen van een paar glazen bier of wijn. Vrijwel onmiddelijk was ik dan in staat om redelijk gevatte opmerkingen te maken, zelfs nog voordat ik ging voorlezen. De voordacht verliep dan als een trein.

Met het accepteren van de Keefmanbokaal in het Muiderslot in het vooruitzicht, zo had ik mij bedacht, zou ik iets sterkers nodig hebben dan een paar glazen bier om mij door de speech, die ik daar moest geven, heen te werken, dus ik had speciaal voor die gelegenheid gelegenheid een flesje whisky aangeschaft, geen volle liter, maar toch voldoende om de dag door te komen.

Al in de auto naar het Muiderslot was ik zo aangeschoten dat de chauffeur mij bijna ergens op de snelweg uit de auto had gezet. Mijn oude chef redactie van Revu, die meegegaan was om me te ondersteunen, begon ook steeds pijnlijkere gezichten te trekken bij mijn baldadige uitspraken.

Ik was nog nooit in het Muiderslot geweest en ik had me er heel wat van voorgesteld, maar het bleek een veredelde bouwval midden in de prairie te zijn. Ik was ladderzat en ik zag niemand, dus begon ik keihard Volluk! om me heen te schreeuwen en na een minuut of vijf liet een man met een bezem en een emmer zijn hoofd zien. Hij bleef op gepaste afstand. ‘Wat moet u hier?’ riep hij mij toe.

‘Ik kom voor de uitreiking van de Keefmanbokaal,’ zei ik met dubbele tong.

‘Nooit van gehoord,’ zei de man met de bezem. ‘Wacht even, ik ga in de agenda kijken.’

Hij bleef minutenlang weg en riep uit een heel ander raam waar ik hem in het geheel niet had verwacht: ‘Propria Cures?’

‘Ja!’

‘Dat is volgende week, zelfde dag, zelfde tijdstip,’ zei hij en verdwenen was hij weer.

Van de terugweg weet ik niets meer. Ik zal waarschijnlijk geslapen hebben.

Pas de volgende dag bleek dat Adriaan Jeaggi de uitreiking een week verschoven had en iedereen die aanwezig zou zijn daarvan op de hoogte had gesteld, behalve mij. Nu werd ik echt kwaad. Zoals eerder gesteld, ik ben geen fan van corpsballen, maar één ding kan ik zeer in ze waarderen en dat is dat ze over het algemeen degelijke omgangsvormen hebben.

(wordt vervolgd)

Posted on Leave a comment

Het studentenweekblad (2)

De telefoon ging. Het was oud-redacteur Panda. ‘Het is toch niet te geloven?’ zei ze. ‘Zijn ze soms blind daar op die redactie?’

Haar stem was hees van opwinding en niet het soort opwinding waar je als man op een landerige zondagmiddag op zit te wachten.

‘Wat is er gebeurd dan?’

‘Ik kreeg een telefoontje van Adriaan Jaeggi. Ze hebben een winnaar voor de Keefmanbokaal.’ Ik hoorde haar een Gauloise opsteken en ze sprak nu vanuit haar mondhoek. ‘Wat voor verhaal, heb ik hem gevraagd. Toch niet door Van der Kamp? Nee, zei hij, daar was het veel te goed voor. Ik naar de redactie en daar lag het stuk op tafel. Een verhaal over een manke man. Dat móet jij geschreven hebben! De sukkels…’

Of het haar manier was om me te feliciteren, weet ik niet. Ze ergerde zich vooral aan de redactie. Dezelfde redactie die ze dagen daarvoor nog fel verdedigd had. Zoals ze elke redactie van Propria Cures zou verdedigen. Dat is deel van de PC-traditie. Je valt nooit een zittende redactie af als oud-redacteur. Nu waren het wel heel even sukkels omdat ze een weddenschap met mij verloren had.

In zeker opzicht waren het ook sukkels, dat had ik al veel eerder ingezien, maar ik ben zelf ook niet helemaal lekker bij mijn hoofd.

De toenmalige redactie bestond uit drie redacteuren. De grootste mond behoorde toe aan Casper Schoemaker. Hij was zonder meer hoogbegaafd en extreem gevat. Hij was zijn tijd ver vooruit met het ongegeneerd gniffelen over rassentheorieën die sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer hardop besproken werden. Qua gedachtenwereld was hij een beetje een Thierry Baudet avant la lettre. Hij had een minimale, maar voelbare sociopathische inslag. Dat verklaarde misschien ook waarom hij voor de studie psychologie had gekozen. Zijn geest vroeg onbewust waarschijnlijk om genezing.

Dan was er Adriaan Jaeggi, een Leidse Corpsstudent die ook Jazzmuzikant was. Ik heb Jazz nooit helemaal goed begrepen, dus we hadden weinig conversatie. Hij was volgens mij vergeleken bij Schoemaker wel redelijk geestelijk gezond. Zijn enige zwakte was die van alle Leidse corpsstudenten: hij was uitermate competitief en onuitstaanbaar wanneer hij zijn zin niet kreeg.

Het moet echt een ramp voor hem zijn geweest dat hij naast de telefoon zat als journalisten belden om mij te spreken, de nare man die hij geen plaats gunde in de redactie. Terwijl hij, dichter Jaeggi van de koddige strofen, uitermate productief was maar volledig genegeerd werd. Hij zou heel jong overlijden aan darmkanker. 

Wel viel hem nog enige jaren voor zijn overlijden de eer te beurt om uitgeroepen te worden tot de aantrekkelijkste schrijver van Nederland bij een damestijdschrift. Dat laatste deed mij twijfelen aan mijn biseksualiteit, want dat was wel het laatste dat ik in hem zag. Voor mensen die een zwak hebben voor corpsballen, had hij zeker een bijzonder sympathiek voorkomen. Daarover bestond geen twijfel, maar aantrekkelijk? Hij klaagde tijdens zijn gehele redactieperiode over een gebrek aan seks.

Er zijn mensen in mijn omgeving die denken dat er een causaal verband bestaat tussen het vroegtijdig overlijden of het mank, of doodziek worden van mensen die hun best gedaan hebben om mij het leven zuur te maken, maar in het geval van Jaeggi kan mij niets verweten worden, want zijn vader was ook al heel jong aan dezelfde kwaal overleden.

En last but not least hadden we nog het PC-meisje. Voordat u mij seksisme verwijt; ik ben haar naam oprecht kwijt. Zij was op alternatieve wijze de redactie binnengekomen. Niet door een gedegen stuk te schrijven, maar door een foto van zichzelf naar de redactie te faxen. Gekleed neem ik aan, want selfies, smart phones en E-mail bestonden nog niet. Ze was zonder meer aantrekkelijk te noemen en ik herinner me haar vooral als de redacteur die bij voortduring hulp kreeg van Casper of Adriaan, die dan over haar heen leunend nuttige aanwijzingen gaven om haar werk te verbeteren. Dat kon toen nog.

Die aandacht had ze beslist niet nodig, want zij zou in tegenstelling tot Schoemaker, na haar redacteurschap nog minimaal twee volwassen romans schrijven, of verhalenbundels, geen idee eigenlijk. Ik was de enige in dat redactiehok die ze straffeloos durfde te kleineren, dus dan ga ik later niet nog eens door de regen naar een boekhandel fietsen om haar werk aan te schaffen.

Ze omschreef zichzelf graag als een ‘kept woman’ en in een ander universum hadden we het prima met elkaar moeten kunnen vinden, want ze was minstens even promiscue als ik. Er mocht dan weliswaar geen onderlinge aantrekkingskracht bestaan, maar we hadden wel dezelfde smaak als het mannen betrof.

Ik heb de tijd genomen om u even uitgebreid aan deze redactie van het roemruchte studentenweekblad Propria Cures voor te stellen, omdat ik met hen na het kort geding nog een korte, maar uiterst heftige periode heb doorlopen.

Door twee prijzen achter elkaar in de wacht te slepen, moest de redactie me wel op de een of andere manier tegemoet komen. Er werd ook milde druk uitgeoefend vanuit de Stichting Propria Cures. Niet alleen was ik de eerste stukjesschrijver in 102 jaar PC, die twee opeenvolgende prijzen in de wacht had weten te slepen, maar ik had het weekblad ook weer eens het woord ‘roemrucht’ waar laten maken, inclusief kort geding dat voor de verandering eens gewonnen was in plaats van verloren.

Voordat er echter over mijn positie gesproken kon worden, moest er eerst nog een uitreiking van de Keefmanbokaal plaatsvinden in het Muiderslot.

(wordt vervolgd)

Posted on Leave a comment

Het studentenweekblad (1)

Bij mijn eerste werkgever, Nieuwe Revu, werd voor de komst van SP’ers als Fons Burger en Derek Sauer nog bijzonder opgekeken naar het studentenweekblad Propria Cures. Een van de hoofdredacteuren ging er prat op wel drie stukken voor PC geschreven te hebben en de chef redactie had geloof ik slechts een stuk geschreven voor PC, maar het werd altijd wel even vermeld. Dit vanuit de gedachte: als jullie soms denken dat wij alleen fotobijschriften kunnen schrijven, dan hebben jullie het goed mis.

De minst geïnspireerde redacteur van Propria Cures die ik ooit gekend heb, schopte het al vrij snel na zijn vertrek bij PC tot hoofdredacteur Panorama. Het is maar dat u weet dat er niet uitsluitend genieën gewerkt hebben voor Propria Cures. Verder heeft het studentenweekblad ongekend veel succesvolle mensen opgeleverd. De lijst is veel te lang om hier, zelfs in de kortst denkbare vorm, weer te geven.

De gangbare methode om in PC te publiceren is dat je een stuk instuurt en vervolgens elke week in de correspondentierubriek gaat kijken of er ‘Schrijf nog eens wat’ onder je naam staat of dat je huisvlijt in een kort aantal zeer beledigende woorden wordt afgefakkeld.

Heb je eenmaal veel voor Propria Cures geschreven, of ben je zelfs redacteur geweest, dan kan het zo maar zijn dat je op geheel onverklaarbare wijze ruzie krijgt met een jou onbekend persoon in Tikkemansland. Het kan dan nooit kwaad even te informeren of hij of zij ooit stukken bij Propria Cures heeft ingezonden die op nare wijze afgewezen zijn. Een eerlijk antwoord krijg je dan nooit, maar de gezichtsuitdrukking levert dan vaak voldoende informatie.

Zelf zou ik nooit stukken ingestuurd hebben naar Propria Cures, eenvoudigweg omdat ik te veel respect had voor de titel om nu juist daar afgewezen te worden. Bovendien ben ik geen fan van het Studentencorps en daar is het tijdschrift volgens mij wel uit voortgekomen.

Mijn eerste drie stukken belandden in Propria Cures omdat de columnist Donald Olie, die indertijd voor mijn tijdschrift werkte, ze voorlas op de redactie van PC.

De stukken werden in opeenvolgende nummers geplaatst en daar was het bij gebleven, ware het niet dat ik merkte dat mijn nieuwe liefde R. aan iedereen die het maar wilde horen vertelde dat ik voor PC had geschreven. 

Ja, en waarom schrijft een mens eigenlijk? In Nederland met de beperkte afzetmarkt zeker niet voor het inkomen, maar wel voor de aandacht van de meisjes. Iedereen die beweert dat het anders zit, heeft het niet goed begrepen. Als je jong bent is het schrijverschap een goede manier om een slag in de rondte te neuken, en als je oud bent is het de kortste weg naar vasculaire klachten. Het leven is simpel, iedereen die er iets ingewikkelds van probeert te maken, mag een uitslover genoemd worden.

Het maakt sowieso niet uit welk beroep je in de maatschappij uitoefent, want alle functies zijn direct of indirect afgeleid van het alleroudste beroep.

Nu moet je als schrijver niet te hoge eisen stellen aan het type groupies waar je mee te maken krijgt. In mijn tijd waren het vooral meisjes in pen-acht-truien met doodgeverfd haar, zo ook mijn dierbare R. Maar met een beetje kledingadvies en een kappersschaar is van elk meisje rond de twintig iets schitterends te maken. Wij biseksuelen zijn daar goed in.

Wil je leuke groupies hebben, dan moet je in de muziek gaan. Zo heb ik ooit de dichter Menno Wigman, die drummer was in een punkband, daar herhaaldelijk op gewezen. Joh, blijf in godsnaam drummen, je hebt geen idee hoezeer het behelpen is in de liefde als je eenmaal dichter of schrijver bent. Hij heeft niet geluisterd en hij is dan weliswaar niet aan vasculaire klachten ten onder gegaan maar hij stierf wel op jonge leeftijd in het OLVG aan een door hartklachten verergerde longontsteking.

Hoewel ik 22 stukken heb geschreven voor Propria Cures, waaronder de stukken over Charles Geerts en Spijkstra, ben ik nooit redacteur geweest van Propria Cures. Dat had ik graag gewild, maar opeenvolgende redacteuren vonden mij maar een nare man en bovendien te oud. Ik liep inderdaad tegen de veertig en dat ik een nare man ben, dat heb ik zelden of nooit weersproken.

Nu is het vreemd genoeg nooit beleid geweest bij Propria Cures om nare mensen buiten de deur te houden. Eerder zou ik zeggen dat het weekblad zelfs een lichte voorkeur had voor nare mensen. Ook die lijst is veel te lang om hier, zelfs in de kortst denkbare vorm, weer te geven.

Eerst lag redacteur Hans Quené dwars en dat begreep ik wel. Dat was een preutse jongen, zoals de meeste lelijke jongens preuts zijn om zich te behoeden voor hun onvervulde seksuele verlangens, en ik was immers hoofdredacteur van de blootbladen Playgirl en de High Society geweest. Hij vertrouwde mijn motieven niet. Waarom zou iemand die veel geld had verdiend in hemelsnaam gratis voor een studentenweekblad willen schrijven? Ik kon moeilijk antwoorden dat het mijn dierbare R. zo opwond. Op een gegeven moment tijdens het gesprek werd hij ook wat vals en impliceerde dat ik ook niet getalenteerd genoeg was voor PC.

In de meest brede zin van het woord is natuurlijk niemand ooit getalenteerd genoeg, maar voor het kleurloze clubje dat toen de redactie van PC bevolkte, zo oordeelde ik, was ik eerder ‘overqualified’ te noemen.

Pissig verliet ik het redactielokaaltje naast de fotozetterij van Het Parool en ik begon te broeden op een manier om de zittende redactie een loer te draaien. In het nummer dat de daarop volgende week op mijn mat viel, zag ik hun prijsvraag aangekondigd worden. Ze hebben daar verschillende prijsvragen per jaar, maar dit betrof de PC Onthooftprijs, een heel lullige prijs om te winnen, want als je er iets over wilt zeggen, dan volgt onherroepelijk de opmerking: Heb je écht de P.C. Hooft-prijs gewonnen? Dan moet je weer gaan uitleggen dat je de P.C. Hooft-prijs niet wint, maar alleen krijgt als men weet dat je aan een levensbedreigende ziekte lijdt en er haast gezet moet worden achter de uitreiking, zodat je die nog levend in ontvangst kunt nemen.

Als u mij niet gelooft, dan moet u de krant beter lezen. Er komt altijd eerst een bericht dat schrijver of dichter Zus of Zo lijdt aan een terminale ziekte en dan kun je gaan aftellen totdat hij of zij de P.C. Hooft-pijs krijgt. Je zou die prijs kunnen zien als palliatieve zorg voor mensen die hun hele leven onderbetaald en half wegbezuinigd hebben zitten werken voor onze onvolprezen vaderlandse cultuur.

Ik won de PC Onthooftprijs met het verhaal Merry Klysma’s, Dr. Otto! over mijn kortstondige werkzaamheden als medisch tekenaar en fotograaf bij het Interuniversitair Oogheelkundig Instituut in het AMC. Mocht men mij een zeker talent toe willen schrijven, dan ligt dat toch vooral op het vlak van het stevig onderuit halen van mensen die zich onaantastbaar voelen, dus alle exemparen in de losse verkoop van PC, waarin dat stuk verschenen was, werden opgekocht door het KNAW in de hoop de reputatieschade van het Interuniversitaire Instituut zo beperkt mogelijk te houden. Het was zeker geen geweldig stuk, maar het liet wel wat koppen rollen en daar is de Onthooftprijs nu eenmaal voor bedacht.

De redactie was overigens door iemand van tevoren ingelicht dat ik mee zou doen, dus bij de voorselectie werden alle bijdragen die eventueel in de verte van mij konden zijn, alvast uit de stapel gevist en gediskwalificeert. Ik stel me altijd met veel plezier voor dat daar een beter stuk tussen heeft gezeten dan het mijne.

Mijn bijdrage was uiteraard goed gecamoufleerd, want ik had briefpapier plus bijpassende envelop gebruikt van het Interuniversitair Oogheelkunig Instituut en uiteraard een pseudoniem gekozen. Daardoor leek het alsof ik een rancuneuze Aio was die ergens de hele dag in een studentenkamertje goedkope wijn zat te drinken. Niets was aan het toeval overgelaten. Ik dronk nooit rode wijn, maar ik had even wat rode wijn geknoeid en met de voet van een wijnglas een mooie, rode halve maan op de reeds gesloten envelop gestempeld.

Romantiek is het halve werk.

Mijn goede vriendin Panda, oud-redacteur PC, stelde een uitdaging. De volgende meer prestigieuze prijsvraag ging om het winnen van de Keefmanbokaal. Als ik die ook zou winnen, en dat achtte zij onmogelijk, dan zou zij als eerdere winnares van de Keefmanbokaal mij met de mond bevredigen in haar BMW die zij ‘Werner’ had gedoopt.

Mensen weten altijd wel goed hoe ze mij moeten motiveren. Ik draag mijn ziel op mijn vestje, zeg ik wel eens.

Verder had ik ook nog een serieuze reden om die bokaal te winnen, want ik ben een fervent bewonderaar van het boek Keefman, geschreven door Jan Arends.

Dus ik heb mijn beste beentje voorgezet. Deze prijs was een stuk moeilijker te winnen omdat veel gevestigde namen meededen. Ik schreef voor de zekerheid drie stukken onder drie verschillende namen.

(wordt vervolgd)
 

Posted on Leave a comment

De Familiuskliniek

Nu ik de hete adem van Dikke Charles en ook die van Spijkstra en Engelsma & Korvinus niet meer in mijn nek had, kon ik mij gaan richten op de echtscheiding, wat voor mij vooral betekende dat ik Rob Oudkerk nu wel eens uit mijn leven wou hebben.

Op de voorlaatste dag van ons huwelijk had mijn echtgenote voor me gestaan en zei: ‘Je zou me nu eigenlijk een klap moeten geven.’

‘Nee,’ antwoordde ik, ‘maar ik sta maandagochtend wel op de stoep van de Stopera om een echtscheiding aan te vragen.’

‘Rob zei dat je dat toch niet gaat doen,’ antwoordde ze.

Rob zei, Rob zei, Rob zei, ik werd er zo moe van. Alle zinnen uit haar mond begonnen die laatste tijd met ‘Rob zei’. Ik gebruikte de energie die de ergenis over dat stopzinnetje in me opriep om binnen 24 uur een andere woning voor haar te regelen, keurig op tweehonderd meter afstand van de praktijk van Oudkerk, haar spullen te verhuizen, en ik stond inderdaad nog voordat de gemeente haar kantoren geopend had op de stoep om een echtscheiding aan te vragen.

Later zou ze zeggen: ‘Je was zo emotioneel bij het inpakken dat je ook boeken van jezelf mee had ingepakt.’ Laten we het er op houden dat ik plankruimte tekort kwam, en als dat niet de reden was, dan was ik gewoon te gehaast geweest met inpakken. Mocht ik emotioneel zijn geweest, dan stond de emotie opluchting daarin toch wel heel centraal.

Ze was het huis uit en ik heb haar – en dat klinkt hard – niet gemist. Die hele scheiding lag zeker niet aan haar, maar ook niet echt aan mij, alhoewel ik wel de eerste was die zijn plezier buitenshuis ging zoeken. We waren al jaren uit elkaar gegroeid. We hadden alles geprobeerd, samenwonen, apart wonen en dan toch weer samenwonen, het werkte allemaal niet. We waren gewoon niet compatible. We hadden nooit ruzie, maar we kenden ook vrijwel geen intimiteit. Ik had geen hekel aan haar gekregen, maar ze was de enige persoon in mijn omgeving geworden waar ik geen enkel interessant geprek mee kon voeren. Ze zat voortdurend met glossy tijdschriften op haar schoot en ze had eigenlijk maar twee onderwerpen: mode en cosmetica.

Al jaren regelden we het met onze zoon zonder problemen. Had zij tien nachtdiensten achter elkaar bij de KLM, dan was mijn zoon gewoon tien dagen bij mij. Haar werk bepaalde hoe ik mijn tijd indeelde en ik ging ervan uit dat het na de scheiding niet anders zou zijn. Ik kon me prima aanpassen en mijn zoon was het makkelijkste kind dat een vader zich kon wensen. Bovendien beschikte hij over de eigenschap dat hij mij onbedaarlijk aan het lachen kon krijgen. Iets wat vrijwel niemand lukt.

Maar nee, Rob Oudkerk, onze specialist in alles, dacht daar anders over. Er moest een goed co-ouderschap geregeld worden met een vast punt in de week voor de overdracht plus een schriftje erbij waarin we elkaar op de hoogte hielden van het wel en wee van onze zoon. Dat was een prima plan voor twee mensen met een kantooorbaan, maar in ons geval zag ik dat niet gaan werken, omdat eerdere ervaringen me geleerd hadden dat mijn zoon toch meestal bij mij was. Dat ging gewoon vanzelf. Ik werkte vaak vanuit thuis, en op kantoor kon ik hem gewoon meenemen. Viltstiften, papier en aandacht genoeg op een tijdschriftenredactie. Ik was degene die met de agenda kon schuiven, zij niet. Als trotse vader deed ik dat ook maar al te graag.

Ik wilde een definieve scheiding waarin mijn zoon geen sleutelkind werd. Bij mij was hij welkom en als zij hem in huis wilde, dan had zij de optie een andere baan te zoeken die beter met het moederschap/co-ouderschap te combineren was. Het was wat mij betreft aan haar om die keuze te maken. Maar gewoon verder gaan volgens het bestaande en werkende plan leek me nog het meest zinvol, ook al omdat mijn zoon daar al jaren aan gewend was.

Op een dag kwam mijn zoon thuis met het verhaal dat Rob Oudkerk hem naar een kinderpsychiater had doorverwezen. Ik begreep in eerste instantie werkelijk niet waarom. Die psychiater concludeerde dat er een te grote afstand was tussen mij en mijn zoon, want – en nu komt het – mijn zoon sprak mij aan als Pappa en mijn ex gewoon bij de voornaam.

Was dat echt zo? Ik kon het me haast niet voorstellen. Dat was een keuze geweest. Zij wilde liever niet op straat met Mamma aangesproken worden, uit angst voor ouder aangezien te worden dan ze werkelijk was, en ik wilde niets liever dan Pappa genoemd worden. Ik heb zonder dralen allerlei deskundigen gebeld en die kwamen tot precies de omgekeerde conclusie en een van hen was zo behulpzaam om me te melden dat de psychiater die dat bedacht had toevallig familie was van Rob Oudkerk of zijn echtgenote.

Ik werd nu behoorlijk wanhopig van die hele situatie en ik gooide mijn kont tegen de krib. Ik had het gevoel dat ik niet van mijn echtgenote aan het scheiden was, maar van Rob Oudkerk.

In de kranten stonden we ook bij voortduring hoogstens twee pagina’s van elkaar verwijderd. Hij als politicus die de PvdA een nieuw élan gaf en ik als de mediagenieke pornobaron, waar zoveel over te doen was geweest.

Oudkerk besloot dat er bemiddeling moest komen. Niet tussen hem en mij, wat misschien nog wel het verstandigste zou zijn geweest voor alle betrokkenen en zeker voor mijn zoon, maar bemiddeling tussen mijn ex en mij.

Dat moest gebeuren in – ja, u raadt het misschien al – de Valeriuskliniek, waar Oudkerk’s echtgenote de nodige invloed had. Het vond plaats in een ruimte die gevuld was met camera’s die alles wat daar gebeurde opnamen. Mijn ex kwam tien minuten te laat binnen in haar laatste creatie en had tien lagen make-up op haar gezicht. Ik nam aan dat ze goed voor de dag wilde komen bij haar rivale: mevrouw Oudkerk en ik keek geërgerd in haar richting en dat was het laatste wat de camera’s opnamen, want daarna klonk er een stem uit het niets die riep dat alle camera’s stopgezet moesten worden. Zowel mijn ex als ik werden geflankeerd door een psycholoog. De mijne zei: ‘Ik heb geen idee wat hier nu weer aan de hand is.’

‘Ik denk dat ze geen beeld en geluid willen hebben van wat ze misschien over onze geliefde politicus Oudkerk kan gaan zeggen,’ antwoordde ik.

‘Zo werkt dat hier niet,’ zei de psycholoog gedecideerd en hij vertrok naar een doorkijkspiegel, net zoals in een politiebureau, waar zich kennelijk toeschouwers of technici bevonden. Hij zei niets bij terugkomst, maar zijn blik sprak boekdelen. Zo werkte het nu vandaag kennelijk even wel.

Wat er ook in dat gesprek plaatsvond deed er verder niet toe. Ik was degene die het verdriet van de scheiding niet aankon, die nu vooral niet voor een kind moest gaan zorgen, etc. etc.

‘s Avonds laat ging de deurbel. Ik kreeg de stuipen, want ik was nog steeds niet geheel vrij van de angsten veroorzaakt door de bedreigingen. Toch deed ik open en er stond een verwilderde psycholoog in mijn deuropening. ‘Ik heb ontslag genomen,’ zei hij.

Wat volgde was een unicum in mijn leven. Bijna een vol uur lang zat ik tegenover een psycholoog met ernstige problemen, veroorzaakt door woede en frustratie, terwijl ik me redelijk goed voelde. De omgekeerde situatie kende ik veel beter. Hij sloot af met: ‘Ik weet goed hoe de zaak in elkaar steekt, maar ik heb geen macht om er iets aan te veranderen.’

De zaak kwam uiteindelijk voor de rechter of kinderrechter, neem ik aan, en ik had geen zin in verdere vernederingen dus ik was afwezig. Wat ik ervan gehoord heb, is dat mijn ex daar een verhaal heeft staan afsteken dat ik een junkie was en dat ik niet in staat was voor ons kind te zorgen. Dat soort teksten, u kunt zich er vast wel iets bij voorstellen.

De rechter vroeg haar toen waar mijn zoon dan de afgelopen drie jaar was geweest en mijn ex antwoordde voor de verandering eens naar waarheid door te zeggen: ‘Bij zijn vader.’

De reactie van de rechter: ‘Dus u heeft uw kind al die jaren alleen achtergelaten bij een junkie?’

Dat was het einde van die strijd. Als ik wilde kon ik mijn zoon toegewezen krijgen, maar een moeder uit de ouderlijke macht zetten, dat ging mij te ver en dat zou iedereen te ver moeten gaan, dus ik ben toen toch maar akkoord gegaan met het co-ouderschap en alles werd langzaamaan weer zoals het was. Dat duurde even, maar nadat ik het antwoordapparaat van mevrouw Oudkerk twintig minuten vol had zitten kletsen en alle verdere betrokkenen geconfronteerd had met wat er zo allemaal speelde, kwam er veel verbetering in mijn situatie.

Uiteindelijk belde ik Rob Oudkerk ook zelf en hij was nog net niet genoeg politicus geworden om te ontkennen dat hij ooit iets met mijn ex had gehad, maar hij deed wel zijn best alles te bagatelliseren. Toen ik hem vertelde dat hij niet bang hoefde te zijn dat ik ooit iets over de hele kwestie zou publiceren, omdat ik mijn naam liever niet aan de zijne gekoppeld zag, begon er wat licht te schijnen in de duisternis.

‘Ja, ja,’ zei hij uiteindelijk. ‘Het is eigenlijk ook wel een moeilijk mensje.’

Een moeilijk mensje? Voor het eerst drong pas volledig tot me door dat mijn ex misschien nog wel meer slachtoffer was van dit alles dan ik.

Afijn, hij zou met zijn gebrek aan ethiek uiteindelijk keer op keer zijn eigen graf graven, maar dat heeft hem er toch niet van weerhouden om, na het overlijden van Van der Laan, te solliciteren naar de functie van burgemeester. 

Posted on Leave a comment

Intermezzo

Je moet als oude man altijd zorgen dat je, wanneer je over persoonlijke zaken schrijft, de teksten een beetje luchtig of vrolijk houdt, anders krijg je al snel te horen dat je verbitterd bent. Dat is een onjuiste inschatting van mensen die onvoldoende ervaring met het leven hebben. Oud worden is overleven en hoe langer je overleeft, des te meer mensen je ziet wegvallen en des te duidelijker wordt hun rol in je leven. Iets wat afgesloten is, laat zich veel makkelijker analyseren dan iets wat nog volop in beweging is. De optelsom van die analyses biedt weliswaar een breed inzicht, maar wel een uiterst subjectief inzicht. Ieder ander zal met dezelfde inzichten andere conclusies trekken.

Op een bepaalde leeftijd krijg je wel een soort vogelperspectief. Neem Eberhard van der Laan. Ik heb hem een onbetrouwbare jurist genoemd en tegelijkertijd gesteld dat hij een fantastische burgemeester was. Als je oud genoeg bent, kunnen die gedachten in volmaakte harmonie naast elkaar bestaan. Toch zal Van der Laan in de komende stukken een onverkwikkelijke rol gaan spelen in mijn notities over wat zich de afgelopen decennia in mijn leven heeft voltrokken. Zou ik een opportunist zijn, dan zou ik Van der Laan geheel uit mijn stukken houden, want dan verbreed ik mijn beperkte lezerspubliek aanzienlijk. De lieve man is immers de enige kettingroker in Amsterdam die de eer te beurt is gevallen om heilig verklaard te worden. Misschien op Johan Cruiff na.

Uiteindelijk is schrijven niet veel meer dan woorden dusdanig aaneenrijgen dat je de lezer niet al te veel in zijn gezicht hoest, om het maar even eigentijds te stellen. De lezer moet een eigen belevingswereld kunnen vormen. In ieder geval moet je lezers af en toe iets aanbieden dat aansluit bij wat ze diep in hun hart eigenlijk altijd al gedacht hebben. De lezer verbazen kan en mag, maar uitsluitend gedoseerd. Bij mensen die graag lezen moet je je nu eenmaal geen uit hun bol gaande revolutionairen voorstellen.

Daarnaast moet het werk ook nog eens mensen bereiken. Een van onze grootste schrijvers, A.F.Th. van der Heijden was nooit te beroerd om een touringcar vol plattelandsvrouwen, die een dagje Amsterdam deden, even een voor een de hand te schudden en persoonlijk toe te spreken. Dat verkoopt meer boeken dan een actie van de Athenaeum boekhandel.

Toen ik een paar stukken geleden de kolossale open deur intrapte dat ‘het heden en het verleden onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zeker in deze stad’ wist ik dat ik daarmee de sympathie zou winnen van iedereen die zich diep in zijn hart een dichter voelt. Gerard Reve heeft het over de kracht van het cliché gehad in zijn Verweylezing en Charles Bukowski schreef; ‘If you can get 3 to 5 on cliché, put down everything you’ve got.’

Nu ben ik geen Reve en geen Bukowski. Ik ben een fotograaf, een filmer, een uitgever, een programmeur, een vormgever en derhalve gedoemd in alles wat ik doe middelmatig te blijven. Het enige compliment dat mij wel eens ten deel valt is dat mijn werk ‘leest als een trein’ en dat mag geen serieus argument heten. De werkjes in de Boeketreeks lezen ook als een trein. Er is aanzienlijk meer nodig dan dat om iets waardevols te schrijven.

Mijn partner, die mij in de zes jaar dat we elkaar kennen, vooral gezien heeft in de rol van fotograaf of filmer en nu al dagen naar het getik van mijn toetsenbord zit te luisteren vroeg mij of ik wraak aan het nemen was, of dingen van mij af aan het schrijven was.

Dat denk ik niet. Waar ik nu mee bezig ben, dat is veel beschamender. Ik schrijf uit doodsangst. Ik heb COPD en ik woon boven een verpleegtehuis in het midden van een COVID-19 hotspot, waar het wemelt van de millenials die schijt hebben aan de lockdown. Aan hun gedrag kun je zien dat we wat harder hadden moeten inhakken op leeftijdsdiscriminatie, in plaats van voor de bühne een wetje aan te nemen dat verder niet gehandhaafd werd.

Ik wil niet naar een IC, dus een besmetting is meteen vrijwel zeker een doodvonnis. Voordat het zo ver is, wil ik nog een paar dingen gezegd hebben.

Dat is alles. Zoals altijd wordt er meer achter mijn acties gezocht dan er werkelijk is. Toen mijn eerste en laatste roman uitkwam werd ik zittend aan een tafel in een restaurant geïnterviewd door mensen van HP/De Tijd. Ik had het terloops over mijn fysieke mank zijn, eigenlijk meer om me te verontschuldigen voor de kruk die ik bij me had, maar ze hadden die kruk niet eens gezien. Zoals journalisten niet echt kunnen kijken, zo kunnen fotografen niet echt luisteren. We zijn immers een land van specialisten.

Mijn mank zijn werd verheven tot metafoor: Hans van der Kamp, een manke pornobaron, met het ene been in de literatuur en met het andere in de porno.

Fuck, yeah. Als je dat serieus laat bezinken, dan moet je concluderen dat geen van beiden waar is. Alleen journalisten hebben dat talent. Op de keper beschouwd heb ik geen ‘literatuur’ geschreven die de moeite waard is voor een vermelding in de geschiedenis en ik heb ook nooit echt ‘in de porno’ gezeten.