De grijze ridders van het laatste uur

Een aantal weken geleden ontving ik een e-mail van Mr. Carl Everaert, secretaris van stichting OpNieuw, dat het ‘einde van de rit’ was bereikt. Hij doelde daarmee op mijn functie als hoofdredacteur van het buurttijdschrift OpNieuw. De reden om de samenwerking op te zeggen was ‘de toon van mijn e-mails’. Daar kan ik niets tegenin brengen, want ik kan ongelooflijk vals uit de hoek komen als ik het gevoel heb dat er over me heen gelopen wordt. Toch enigszins verward liep ik vervolgens naar de brievenbus en daarin trof ik het aanvraagformulier aan voor een AOW-uitkering. Het werd mij langzaam duidelijk dat het universum mij iets duidelijk probeerde te maken.

Wat ging eraan vooraf? Vorig jaar had ik de redactie van OpNieuw overgenomen van eindredacteur Roos Hendriks, die zichzelf graag als ‘Koningin van de Nieuwmarktbuurt’ ziet. Ik kan mij niet herinneren dat iemand anders haar ooit zo noemde, maar dat kan aan mijn beperkte sociale contacten liggen. Zij stond tien jaar lang met verve garant voor vier uitgaven van OpNieuw per jaar. Haar strategie was even eenvoudig als doeltreffend. Ze hield niet van schrijven en ze had naar eigen zeggen geen verstand van beeld. Echt een uitgever, zoals uitgevers nu eenmaal zijn, dacht ik meteen. Zo anderhalve maand voor deadline begon zij mensen aan hun jasje te trekken dat het tijd werd een bijdrage te leveren en zo kwam na enig aandringen het blad wel vol. Zelf zegt ze over die periode: ‘We hadden vaak maar één goed onderwerp en de rest was bladvulling.’

Ja, dat geloofde ik wel. Als mensen gratis, maar wel in opdracht schrijven, in plaats van spontaan bijdragen te leveren, dan krijg je inderdaad een bak vol bladvulling. Het was een kleurrijk groepje scribenten die zij zo bijeen geharkt had. Haar ‘Hoofd Groen’, een vrouw die hovenier was en over alles wat groeide en bloeide schreef, geloofde heilig dat de gemeente de stad aan het ontbossen was om 5G-zendmasten beter door te laten komen. De vaste medewerker literatuur, door mij snel van de bijnaam Harry Mulish voorzien, legde uit wat het verschil was tussen proza en poëzie op zo’n manier dat je meteen sympathie ging voelen voor mensen die nooit meer een boek willen lezen. Het was een allegaartje zolderkamerjournalisten voor wie middelmaat het hoogst haalbare was dat echter zelden gehaald werd. Zo hoort dat ook bij een buurttijdschrift. Per slot van rekening was ik ook maar van de straat geplukt en waarom zou ik daar op neerkijken?

Toch wou ik bij de overname graag van die bladvulling af. Ik wilde een tijdschrift dat ook daadwerkelijk buurtbewoners centraal had staan en niet alleen omdat ze zojuist overleden waren en daardoor alsnog geschikt materiaal waren voor bladvulling. De veranderingen die ik langzaamaan doorvoerde vielen goed bij de meeste mensen, maar uiteraard waren de scribenten die jarenlang garant hadden gestaan voor de bladvulling minder gelukkig. De haatmails van ex-medewerkers vlogen me om de oren. De toon van die e-mails was vele malen valser dan die van mij in mijn meest donkere uren. Volgens Roos was dat normaal. Ze meldde me dat ik meer positieve mails had gekregen in één nummer dan zij in tien jaar. Ze deed daar heel sportief over, maar ik kan me goed in haar rol verplaatsen en dat moet niet makkelijk zijn geweest. Ik betwijfel ook of dat echt zo was. Ik neem aan dat mensen haar ook regelmatig gecomplimenteerd hebben, maar complimenten vergeet je nu eenmaal makkelijker dan beledigingen.

Voorafgaand aan mijn komst waren verschillende redactionele bijdragen geplaatst waarin gesmeekt werd om een nieuwe redactie. Dat is de ergste fout die je als eindredacteur kunt maken. Desnoods schrijf je onder tien namen de pannen van het dak af, maar je zo zwak opstellen zorgt ervoor dat niemand nog een uitdaging ziet in je uitgave. Wie wil immers een halfdood paard berijden?

Ik had met haar te doen en meldde mij als mogelijke opvolger met een lang CV vol bladen die aanzienlijk imposanter waren dan OpNieuw en ik kreeg ‘de baan’. Dat kwam mij goed uit, want het leverde vrijwel niets op, maar het ontsloeg mij wel van de sollicitatieplicht die ik als 65-jarige in het land van de Participatiewet nu eenmaal heb. En zeven dagen in de week werken doe ik toch wel, of ik nu betaald word of niet. Sinds ik jaren geleden met genotsmiddelen en vreemdgaan ben gestopt, is werken mijn vaste verslaving geworden.

Al snel begon ik ondanks de tegenwerking echt van het blad te houden. Mijn laatste nummer geeft daar ook echt blijk van. Ook kon ik het vaak goed vinden met Roos. Ze had echter één makke en dat was dat ze vrijwel alles wat gezegd en afgesproken werd, de volgende dag gewoon weer was vergeten. E-mails sturen om haar ergens op te attenderen had ook geen zin, want alle e-mails werden door haar keurig na lezing gewist. Ogeruimd staat netjes.

Orde en logica zag zij als haar sterkste kanten. Ook stond zij vaak op uitzenden en zelden op ontvangen. Aan haar gehoorapparaat kan het niet gelegen hebben, want dat ding kon werkelijk alles. Ze schakelde naadloos door van natuurlijk geluid naar haar telefoon alsof het niets was. Zelden heb ik een bezitter van een gehoorapparaat zo handig met het hulpmiddel om zien gaan. Ze was ook een van de weinige IT-specialisten van haar leeftijd. Ook daarin was vormgeving niet haar sterkste kant, maar vind maar eens een vrouw van zeventig die code kan lezen alsof het proza is. Daar zijn er niet veel van. Dat was echt een verademing om mee te maken. Dat ze daar ondanks vele afspraken en een schriftelijke overeenkomst niets mee deed, werd pas op den duur irritant.

Waar ik me wel enorm aan stoorde was dat ze onbewust haar stempel op het blad bleef drukken, terwijl ze haar taken als voorzitter/uitgever liet versloffen. Haar input werd vaak wel op prijs gesteld, maar liever had ik een slagvaardig voorzitter gezien. Meer dan eens heb ik uitgeroepen: ‘Als iedereen nu eens zijn eigen werk gaat doen, in plaats van dat van een ander, dan gaat er misschien wat minder tijd verloren.’

In het begin zag ik haar vooral als de expert van de Nieuwmarktbuurt, maar gaandeweg werd mij steeds duidelijker dat zij de buurt op een uiterst subjectieve manier zag. In haar beleving was de buurt vooral wit, oud en heteroseksueel. Ja, er was wel eens wat aandacht besteed aan Chinezen, maar dat leverde de redactie – mijns inziens terecht – het verwijt op racistisch te zijn.

Ik had een overeenkomst dat mijn redactie onafhankelijk zou zijn. De eerste die daar met zijn grote, ongeveegde voeten overheen slofte was de secretaris die ook advertentieverkoper was. Hij gaf in korte zinnetjes commando’s via e-mail, waarin hij hele redactionele pagina’s weggaf als ‘douceurtjes’, zoals hij dat noemde. Hij was nota bene ook de man die de paragraaf redactionele onafhankelijkheid in de overeenkomst had opgenomen.

Citaat: ‘De lezers kunnen wat mij betreft verrekken. Het is een gratis blaadje. Dan gaan ze er maar geld voor betalen.’

Roos belde mij vrijwel om de dag en het waren lange, gezellige gesprekken, maar nogal eenzijdig. Hoewel zij vrijwel voortdurend aan het woord was met steeds dezelfde verhalen die ik al tientallen keren eerder had gehoord, vond zij ook dat ze ‘te vaak in de rede werd gevallen’. Telefoneren kon ik dus ook al niet in de ogen van de voorzitter. Nu heb ik de bijzonder kwalijke eigenschap dat wanneer mensen niet naar me willen luisteren dat ik ze ga e-mailen. Reageren ze daar dan niet op, dan mail ik ze nog een keer en dan wordt mijn toon een tikje valser. Kennelijk ben ik zo verknocht aan communicatie dat ik door roeien en ruiten ga. Mensen kunnen beter gewoon even goed naar mijn allereerste milde verbale versie luisteren, want dat bespaart ze later veel leed in hun inbox.

De koningin van de Nieuwmarktbuurt was vooral verbaal lawaaierig en ontactisch te noemen en als zij haar zin niet kreeg, dan moest er een mannetje opgetrommeld worden die ging uitleggen hoe zij, ondanks haar grote mond en haar nare uitspraken, toch gezien moest worden als een slachtoffer. Dat werd dan steevast de oude charmeur Mr. Carl Everaert die zich als een onvermoeibare ridder voor Damsels in distress opwierp. Hij was dan overduidelijk volledig blind op een missie. Wat de oorzaak van de problemen ook was, dat interesseerde hem in het geheel niet. Roos had gewoon gelijk en moest gered worden. U kent dat soort mannen in de zeventig vast wel. Ooit waren ze populair bij de meisjes en op hun oude dag moet elke vrouw binnen hun blikveld ‘gered’ worden. De grijze ridders van het laatste uur.

Laten we hem de eer gunnen dat hij mij daarmee succesvol uit mijn positie gepest heeft en ik vergeef het hem van harte. Hij is echt een aardige man. Waarschijnlijk is hij vooral vaak verdrietig dat hij niet de man meer is die hij ooit was. ‘Mag ik je zoenen?’ vroeg hij Roos eens na Corona gehad te hebben en gevaccineerd te zijn midden in een lockdown. Nee, dat mocht hij niet. Kennelijk had hij zijn klassieken niet helemaal op een rijtje, want van ridders wordt nu eenmaal platonische liefde gevraagd.

Een maand geleden was hij nog op pad gestuurd om penningmeester Joost uit het bestuur te werken, ook een lang gekoesterde wens van Roos, maar dat is op de een of andere manier mislukt. Waarschijnlijk had hij te veel macht om als een schooljongen weggestuurd te worden. Het fijne weet ik daar niet van. Bij mij lukte het in ieder geval wel binnen een dag. Ik had al eerder met hem als onderhandelaar namens Roos te maken gehad en wijs geworden door die ervaring weigerde ik hem over wat dan ook inhoudelijk te woord te staan. Wel heb ik hem een nietsnut van een advertentieverkoper genoemd, wat feitelijk geheel juist was, maar milder verwoord had kunnen worden.

Zoiets doe je een jurist die ooit zijn eigen kantoor heeft gehad niet aan. Dan heb je jezelf buitenspel gezet in de sterk op sociale rangorde gebaseerde grachtengordel.

So be it. Ik verlies liever mijn goede naam dan mijn principes.

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *