Vergeefs uitleggen

Pieter Bruegel de Oude (uitsnede)


Ik heb niet meer zoveel met de dood. Vroeger lag ik als kerngezonde jongeman soms nachten wakker van het idee dat mijn leven eindig was. Nu ik dichter bij de dood kom of de dood dichter bij mij, begrijp ik dat het einde ruwweg slechts vier scenario’s kent.

1/ Het gaat snel en onverwacht, zoals door een zware hersenbloeding of hartstilstand, nét op het moment dat je midden in de nacht je koelkast opentrekt om te kijken of er nog iets te snaaien of te zuipen valt. Je ligt vanuit volle beweging opeens pats-boem roerloos op de keukenvloer met je dertig kilo overgewicht en alles wat zo mooi tijdelijk leek, is in één enkele handomdraai tijdloos geworden.

2/ Je krijgt een nare, slopende ziekte en je kunt nog minstens drie maanden of een half jaar het middelpunt op social media zijn met dagelijkse verslagen van het leed dat je doorstaat, zoals zovelen dat met verve kunnen doen. Ik vermoed dat ik in zo’n geval zal zwijgen en aan mijn archief zal gaan werken, terwijl ik mij tevens te buiten ga aan drank en pijnstillers, maar ik heb wel eens vaker tegen beter weten in gehandeld, dus ik kan geen garanties geven.

3/ Je wordt zo oud dat je de verstandigste beslissing ooit maakt door je gehoorapparaat uit te zetten, omdat je nog heel veel verhalen te vertellen hebt, maar geen behoefte meer voelt om naar het inhoudsloze geklets van anderen te luisteren. Vermoed je echter, als geoefend rakende liplezer, dat mensen per ongeluk toch een interessante vraag aan je stellen, dan breng je je hand naar je oor en je kijkt die persoon aan met een blik alsof iemand zojuist een ongeschuurd stuk hout in je achterste heeft geschoven. Na al je verhalen honderden keren verteld te hebben, ga je uiteindelijk op een dag ‘s avonds naar bed en word je – zoals de echte Amsterdammer dat zo mooi formuleert – ‘s ochtends dood wakker.

4/ De vierde optie is de hard core versie van de tweede. Je krijgt een nare, slopende ziekte en een aantal millennials in een ziekenhuis, die te veel uit hun eigen pillendoos snoepen, besluit dat je nog best te redden bent en zij laten een shitload tests en behandelingen op je los met alle gifmengerij en invasieve apparatuur die ze maar aan kunnen slepen. Na maanden vreselijke vernederingen te hebben doorstaan, komt dan uiteindelijk toch het rinkelende karretje morfine voorrijden. Lig je dan eenmaal reutelend te sterven op een voor jouw doen veel te lage dosis morfine, dan zeggen je dierbaren: ‘Kan er niet wat aan dat gereutel worden gedaan? Volgens mij heeft hij pijn.’
‘Nee, dat hoort zo,’ zegt de verpleegkundige dan kordaat, ‘dat versnelt het stervensproces.’

Als optie vier je einde wordt, dan kun je de hoogste bergen beklommen hebben, de wildste zeeën bevaren hebben, met filmsterren hebben geneukt, of miljoenen hebben vergaard, maar dan verlaat je het leven als een stotterende orator die struikelend de bühne verlaat. Dan zal elk verhaal wat er over je te vertellen valt, verbleken bij de gefluisterde anekdotes over je laatste dagen. Dan hebben medici jouw laatste voorstelling gestolen en daar bovendien ook nog eens verdomd goed aan verdiend, al klagend over werkdruk en bezuinigingen van de overheid.

Toch verbleekt je eigen dood altijd bij de dood van een goede vriend aan wie je bijvoorbeeld al veertig jaar vergeefs probeerde uit te leggen dat je tijdens zijn werkreis in 1979 echt niet – zoals hij onwrikbaar bleef geloven – met zijn echtgenote hebt geslapen. Dan is die vriend niet alleen dood gegaan, maar ook nog eens gekristalliseerd in zijn eigen waanbeelden en jij staat dan moederziel alleen op zijn begrafenis met zijn onterechte verdachtmakingen te vechten, terwijl je normaal op een begrafenis, eigenlijk zoals ieder ander, hoofdzakelijk aan je eigen sterfelijkheid hoort te denken.

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *